Vrijen en trouwen in grootmoeders tijd

Door Rieny van Beek

Vroeger kende men vrijersmarkten, meestal waren dit jaarmarkten, die éénmaal per jaar gehouden werden. Op zo’n jaarmarkt flaneerden de meisjes rond in hun mooiste kleren en de jongens probeerden de aandacht te trekken en in de gunst te komen. Een jongen koos op zo’n markt een meisje uit om mee naar de kermis te gaan en om mee te vrijen, daarom werden deze markten vrijersmarkten of meidenmarkten genoemd.
Wanneer de vrijerij tussen de jongen en het meisje serieus werd, dan moest de jongen kennismaken bij de ouders van het meisje en hun goedkeuring vragen. Eerst liep de vrijer een paar maal voor het huis heen en weer, tot het meisje hem een teken gaf, bijvoorbeeld door een bezem uit het raam te steken, dan mocht hij binnenkomen. Nu moest hij kennismaken net de ouders en hun goedkeuring krijgen. Dat kon op verschillende manieren gebeuren: Er werd hem een “tas” koffie aangeboden of men gaf hem een “struif” (pannenkoek). Ook het stoppen van een pijp samen met de vader van het meisje duidde er op dat de jongen aanvaard was en terug mocht komen.

Wanneer een jongen verlegen was en een meisje zijn liefde niet durfde te verklaren, kon hij “de vrijer aan de klink hangen”, dit was een bosje bloemen of meitak, die hij ‘s avonds aan de klink van de deur van het meisje bond. Kwam het meisje naar buiten om de bloemen of meitak te halen, dan werd zijn liefde beantwoord. Liet het meisje de bloemen hangen dan kon de jongeman alle hoop laten vaten. Niet altijd bond een vrijer een meitak aan de klink van de deur, soms plantte hij de tak in de grond, versierd met gekleurde papiertjes. Een meitak kon een tak zijn van elke willekeurige boom, maar ieder heeft zijn eigen betekenis. Een dennentak betekent gestadige liefde, een fijne sparrentak is goedheid, een berkentak is goed en schoon, een kersentak duidt een veranderlijk meisje aan, een hagendoorn is stekelig, katjes betekenen niet zonder handschoenen aan te pakken, een biesbosje houdt het met elke vrijer. Het meisje wist dus wel hoe de vrijer over haar dacht.
In sommige delen van het land was het de gewoonte om deze meitak op de eerste mei te planten voor het buis van zijn geliefde. Het meisje stond dan ‘s morgens vroeg op om te zien wat haar “mei” was. Een goede tak liet ze natuurlijk zo lang mogelijk staan.

Ook de bezem had bij het vrijen en trouwen een symbolische betekenis. De bezem diende als seinvlag, het meisje stak dan de bezem uit het raam, om de vrijer te waarschuwen dat vader en moeder uit waren en de kust veilig om binnen te komen. Als een meisje een vrijer afwees, liet ze dit merken door met de bezem de vloer te vegen rond de stoel waar de jongen zat. Als het bruidspaar met een wagen beladen vol huisraad naar hun nieuwe woning trok, dan werd een bezem op de top van het meubilair gestoken. Ook was het in sommige plaatsen de gewoonte dat de bruidegom bij het binnengaan van zijn nieuwe woning over een bezem sprong, die op de drempel was gelegd. Men zette ook wel een bezem tegen de muur van het huis met de steel omlaag. Dit zijn overblijfselen van een oud heidens geloof, dat de bezem kracht bezat om boze geesten te weren.

Voordat er getrouwd werd, ging het bruidspaar eerst in ondertrouw; dit gebeurde op het stadhuis of de gemeentesecretarie. De bruid werd door haar moeder, en de bruidegom door zijn vader begeleid. In Brabant was het de gewoonte dat de jongen bij thuiskomst de hele buurt uitnodigde en bier schonk. Dit noemde men “kwanselbier”: het gezellig samenkomen van jongens en meisjes om te kwanselen (dit is praten, drinken en vrolijk zijn). Na het aantekenen kwam het aanstaande bruidspaar “onder de roepen”. Dit betekende dat het huwelijk vanaf de preekstoel driemaal werd afgekondigd of afgeroepen. In Brabant noemde men dit ook wel “van de preekstoel vallen”. Na de eerste afkondiging werd er weer feest gevierd en ditmaal stond de bruid in het middelpunt van de belangstelling. Men dronk dan “heilbier” (heil is gelukwens). Hierna moest het huwelijk worden bekend gemaakt bij familie en vrienden, dit noemt men “het huwelijk aanzeggen”. Meestal werd dit gedaan door de buren, door de broers van de bruidegom of door het bruidspaar zelf. In sommige dorpen was een “bruiloftsnodiger”, die speciaal belast was met het aanzeggen van een huwelijk. Hij trok door het dorp, soms met een versierde hoed op het hoofd, en nodigde de mensen uit met een gedicht. Overal waar hij kwam kreeg hij een stuiver, dat op de bodem van een glaasje brandewijn lag. Eerst moest hij de brandewijn opdrinken om de stuiver te kunnen pakken. Daarom verdeelde hij zijn aanzeggingen over een paar dagen.

In de vier ovalen: 1. De bruid met versierde kop en schotel en de bruidegom met een gestrikte pijp onder de bruidskroon. 2. De vader van de bruid biedt de bruidegom een glaasje jenever aan. 3.Het bruidspaar onder de ereboog. 4. Het bruidspaar plant een levensboon in de hof.

Voor het huwelijk moesten er getuigen gezocht worden, meestal waren dit familieleden van het bruidspaar. Er waren ook mensen, die tegen een vergoeding als getuige wilden optreden. In sommige dorpen was het de vaste gewoonte dat de pastoorsmeid en de koster als getuige optraden.

Vroeger droeg alleen de vrouw een trouwring, deze werd tijdens de huwelijksmis door de pastoor gewijd. De ring was een teken van trouw en werd als onderpand door de man aan de vrouw gegeven. Na 1930 werd het gewoonte dat beiden een ring droegen en vond ook de ringwisseling plaats tijdens de huwelijksplechtigheid.

De dag voor het huwelijk versierden de buren het huis waar de bruiloft werd gevierd, meestal het ouder lijk huis van de bruid. Er werd een ereboog neergezet, versierd met papieren roosjes.

In de omgeving van Arnhem was het de gewoonte dat de aanstaande bruidegom op zijn vrijgezellenavond van zijn vrienden een Goudse pijp kreeg aangeboden. Wanneer deze leeggerookt was, moest hij hem doormidden breken. Dit was een symbolische afsluiting van zijn vrijgezellentijd.

Het wettelijk huwelijk vond plaats op het gemeentehuis, maar daaraan werd niet zoveel betekenis gehecht in Brabant en Limburg. Het vond plaats zonder feestelijk vertoon, soms in de alledaagse kleren. Het kerkelijk huwelijk in rooms-katholieke kringen was veel belangrijker. Pas wanneer de priester het huwelijk had ingezegend begonnen de feestelijkheden.
Terwijl de feeststoet van de kerk weer naar huis ging, was de vader van de bruid vooruit gegaan om thuis een glaasje met jenever te vullen. Als de vader van de bruid de bruidegom zag aankomen, ging hij hem tegemoet, gaf hem de hand, dronk het glaasje half leeg en gaf de rest aan zijn schoonzoon.
De bruid en bruidegom liepen door tot onder de ereboog, daar kwamen een jongen en een meisje naar hen toe die een feestvers opzegden en het bruidspaar een bruidskoek overhandigden. Een bruidskoek is een langwerpige koek, mooi versierd en met allerlei vruchten erin. Soms strooide de bruid met bruidssuikers, dit is afkomstig van een oud Germaans offer om tijdens de bruiloft de goden gunstig te stemmen. De bruidssuikers waren soms zoet en soms bitter, zoals pepernoten en bitterkoekjes. Zij symboliseren de karaktereigenschappen van het huwelijk: zoete kanten maar ook bittere. Tijdens de koffietafel kwam de “bruiloftsman” een feestvers opzeggen. In de loop van de middag werd in de hof een levensboom geplant. Laat in de middag kwam het middagmaal, dat beëindigd werd met rijstepap met suiker.

Wanneer het jonge paar de volgende dag naar hun eigen woning trok, was deze helemaal schoongemaakt door de buurvrouwen. De bruid werd door de bruidegom over de drempel gedragen. Het dragen over de drempel was om de geesten niet te storen, omdat in de oudheid de doden voor de drempel werden begraven.

De buurvrouwen moesten natuurlijk getrakteerd worden op koffie met suiker. Daarvoor brachten zij hun eigen kommetje mee. Dit feest werd het “wijvenfeest” genoemd. Na afloop werden de kommetjes tegen elkaar stuk geslagen, scherven brengen geluk. Dit was een uitgesproken vrouwenfeest, geen man kwam er aan te pas. Kwam hij toch, dan werd hem de broek uitgetrokken en er op los geslagen.

De eerste zes weken na het huwelijk werd er wittebrood gegeten, dit moet gezien worden als een overblijfsel van een vroegere offervorm. Daarom heten de eerste zes weken na het huwelijk ook wittebroodsweken.

Gelezen: De bezem en de meitak – Ben Janssen.

Symboliek in het zwanenknipsel:
Twee zwanen en een hart betekenen huwelijkstrouw en liefde, klavertjes vier geven geluk. Vanuit het hart ontspringt een levensboom met in de top een tulp, symbool voor volmaakte liefde.

De roos is een symbool voor de liefde, de viooltjes betekenen trouw, de campanulaklokjes spreken van dankbaarheid, de klimop is een symbool voor trouw, de lelietjes van dalen betekenen geluk.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Knip-Pers 1991-2, de knipsels zijn van Rieny van Beek