Auteursarchief: admin

Kerstmis

Door Rieny van Beek

Birgit Selvig, Denemarken

Met Kerstmis staat in veel huizen een kerstboom met zijn stralende lichtjes.  Deze gewoonte bestaat nog niet zo heel lang. Wel was er in de boerengemeenschappen een gebruik om begin december, meestal op 4 december – Sinte Barbara – een kersen- of berketak in het water te zetten, die dan met Kerstmis bloeide of uitliep. In Zuid-Limburg werden deze takken Barbaratakken genoemd. De eerste versierde kerstbomen kwamen in Duitsland, in Straszburg, voor. Omstreeks 1850 waren ze ook bij ons te zien, voornamelijk in de grote steden. Meestal hebben katholieken een kerststal bij de kerstboom staan. Vóór Kerstmis ziet men daarin alleen .Jozef en Maria. In de kerstnacht komt het kindje Jezus erbij en de herders met de schapen. Op Driekoningen verschijnen de drie wijzen met hun kamelen en daarna wordt het stalletje weer opgeborgen.

Dorothea Brockmann

In sommige streken was het de gewoonte om de klokken te luiden, zoals het Sint Thomasluiden in Katlijk en Oudenhorne. Daar luidde men onafgebroken vanaf 21 december tot Nieuwjaar de klokken.

Het blazen op de midwinterhoorn was een gewoonte in Twente. Vanaf de eerste Adventszondag tot Driekoningen toe bespeelde de Twentse boer, vooral ‘s avonds na negen uur, zijn instrument, waarbij de put als klankbord dienst deed.

Rieny van Beek

Nieuwjaar
Onze voorouders kenden geen bepaalde nieuwjaarsdag. De overgang van het oude jaar naar het nieuwe werd gevierd met een feestperiode van twaalf dagen: de zogenaamde Twaalf Nachten, die duurde van 25 december tot 6 januari.
Tijdens deze feesten werden er vreugdevuren ontstoken. Ook geloofde men dat de geesten van gestorvenen in de Twaalf Nachten terug keerden op aarde en men probeerde deze door geraas te verjagen. Dit gebeurde door het blazen op hoorns, het ratelen met ratels, het luiden van klokken, het lossen van schoten. Dit verklaart waarom er nu nog steeds in de oudejaarsnacht zoveel lawaai en vuurwerk is.
Na de komst van het christendom plaatste de kerk aan het begin van de Twaalf Nachten de Kerstdag, aan het einde de Driekoningen en in het midden de Romeinse Nieuwjaarsdag van 1 januari.

Evert Root Sr.

Driekoningen
Het grote huiselijke feest van de winter was in vroeger eeuwen Driekoningen. Volgens het evangelie van Mattheus ging het eçhter om drie wijzen, die koning Herodes naar de geboorteplaats van Jezus vroegen. In later tijden werden zij koningen genoemd en van namen voorzien: Caspar, Melchior en Balthasar. Op Driekoningenavond gaf men elkaar geschenken en werd er een koning gekozen. Dat ging soms met een koningsbrief of door het eten van een koningsbrood. De koningsbrief was een vel met 16 plaatjes, waarop afbeeldingen van de koning, koningin en hun hofbeambten. Dit vel werd in 16 stukjes geknipt en ieder grabbelde een briefje en vervulde het ambt dat hij getrokken had. Ook kon men een koning kiezen door met elkaar te eten van een koningsbrood of bonenkoek, waarin een boon verstopt was. Wie de boon in zijn plak koek vond, werd tot koning gekroond met een kroon van verguld papier. Een andere gewoonte was dat sterrenzangers, gekleed in een wit hemd en met een vergulde kroon op het hoofd, zingend met een ster in de hand langs de huizen gingen om een gift te ontvangen. In sommige delen van het land wordt dit nog steeds door kinderen gedaan.

Toos Dietz

Gelezen:
Ir W.F. van Heemskerk Düker en Ir H..J.van Houten, Zinnebeelden in Nederland
Dr C.C.van der Graft, opnieuw bewerkt door Dr Tj.W.R. de Haan, Nederlandse voiksgebruiken bij hoogtijdagen

Bovenste knipsel: E. van de Broecke, België

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Knip-Pers 1987-4

Diersymbolen, deel 2

De aap
Een aap is zeer amusant,
vooral in zijn geboorteland,
en heeft in zijn jeugd veel grappiger manieren
dan de meeste jongelui onder de dieren.
Daar is altijd groot dispuut geweest
of een aap eigenlijk een mensch is of een beest;
en dat verwondert ons ook niet,
daar men zooveel apen onder de menschen ziet.
Uit: De gedichten van den Schoolmeester, 1859.

 Veel dieren hebben eigenschappen, die aan de mens doen denken, daarom wordt het dier als symbool voor die menselijke eigenschap gebruikt. Andere dieren kunnen mensen nadoen of napraten, zoals de aap of de papegaai. We geven de medemens dan een dierlijke eigenschap, we noemen een naprater een papegaai en wie een ander nadoet is een na-aper. Van enkele dieren wordt hieronder de symbolische betekenis beschreven.

De aap
Apen zijn de hoogst ontwikkelde zoogdieren met de relatief grootste hersenen. Er zijn 200 soorten, waarvan de hoogst ontwikkelden in groepen leven. Bij de mensapen zien we de neiging tot monogamie en gezinsvorming. De wijfjes brengen jaarlijks een jong ter wereld, dat door de moeder aan de borst wordt meegedragen. In de oudheid waren er al verschillende soorten apen bekend, die gedresseerd in theaters werden tentoon gesteld. “Aap” was een scheldnaam en het symbool voor boosaardigheid en lelijkheid. In het oude Egypte werden apen met eerbied behandeld. Er werd gezegd dat ze de menselijke spraak verstonden en goedleerser waren dan menige menselijke leerling. Het krijsen van de bavianen in de ochtendschemering werd gezien als een gebed van de vrome dieren voor de zonnegod. De god van de wijsheid Thot werd soms als een wijze oude mantelbaviaan afgebeeld.

In het oude Indië was de aap een heilig dier. Hij is het symbool van kracht, trouw en opoffering. In China werden apen met eerbetoon omringd. De Zuid-Chinezen vertelden trots afkomstig te zijn van apen-voorouders, die bij ontvoerde mensenvrouwen kinderen hadden verwekt.
Beroemd is de aap Soen Woek’oeng, die de boeddhistische pelgrim Hsuan-tsang op zijn reis naar Indië vergezelt en daarbij grote heldendaden en streken uithaalt.
In de christelijke iconografie wordt de aap negatief afgeschilderd. Hij is een karikatuur van de mens en het symbool voor de dwaasheid, luiheid, begeerte en onkuisheid. Met een spiegeling de hand is de aap het symbool van ijdelheid. Een aap in ketenen geslagen is het beeld van de overwonnen duivel.

De drie Aziatische beeldjes van apen die de mond, ogen en oren dichthouden, worden populair “horen, zien en zwijgen” genoemd. Dit is niet juist, de betekenis is niets kwaads zien, horen en zeggen. De apen zijn oorspronkelijk door de goden. als boodschappers naar de mensen gestuurd om hun doen en latente bespioneren. Als amulet ertegen zijn ze blind, doof en stom afgebeeld.
In Japan heten deze drie beeldjes ‘saroe’, dat zowel aap als niet doen betekent, het is een symbool voor het afwenden van slechte daden.

Kameel
Tot de familie van de kamelen behoort zowel de eenbultige dromedaris als de tweebultige kameel. Reeds 6000 jaar ge leden werd de kameel tot huisdier gemaakt in Midden-Azië. Kamelen kunnen meer dan 40 jaar oud worden.
De kameel heeft in de symboliek een tweeledige betekenis. Voor de woestijn- en steppe-bewoner is de kameel een nuttig dier, hij heeft weinig water en voedsel nodig, de vetbulten bevatten reservevoedsel, zodat enkele distels, dorens en plantenwortels voldoende zijn. Toch kan hij met een vracht van 250 kg 12 uur achtereen een tempo van ongeveer 4 km per uur volhouden. Van het haar van de kameel worden kleding stukken gemaakt en de mest wordt gebruikt als brandstof. De kameel maakt de steppen en woestijnen voor de mens begaanbaar. Hij is het symbool voor matigheid en nuchterheid.
De kerkvader Augustinus zag de kameel als een symbool van de christen, die zijn lasten deemoedig draagt De kameel maakt echter ook een hoogmoedige indruk, en heeft soms een slecht humeur, zodat hij ook het symbool is voor arrogantie en eigenzinnigheid. Hij accepteert alleen draagbare lasten en is daarom het zinnebeeld van het onderscheidingsvermogen. Wie niet met het dier kan omgaan verwijt hem luiheid De kameel kan gehoorzaam knielen en is daarom ook een beeld van gehoorzaamheid.
Van de drie koningen wordt algemeen aangenomen dat zij op kamelen reden, de kameel is dan een verwijzing naar Azië en het oosten.

Papegaai
De papegaai behoort tot een vogelfamilie met 326 soorten, die allen een grote kop, korte hals, sterk gekromde haaksnavel en grijptenen hebben. Zij bootsen diverse geluiden na, onder andere de menselijke stem. Reeds in het jaar 300 voor Chr. was de papegaai bekend en werd geïmporteerd van uit India. Hij werd gezien als taalnabootser en was het symbool van de geesteloos babbelende redenaar.

In de middeleeuwen gold een papegaaien snavel als amulet tegen de koorts. Als de vogel op afbeeldingen van het paradijs voorkomt, is dat omdat hij de naam van Eva heeft leren uitspreken. De omkering ervan, Ave, is de groet van de engel aan Maria, de moeder van Jezus. Door Eva is de zonde in de wereld gekomen; Jezus, de zoon van Maria, heeftt de zonden der wereld gedragen. Een papegaai in een liefdeskooi betekent onderdanigheid van “de vrouw aan haar man”. De papegaai is het symbool van napraterij, babbelzucht en spraakzaamheid.

Ibis
De ibis was in het oude Egypte een vogel met een grote symbolische betekenis. werd “hibi” genoemd, de heilige Ibis. Hij was gewijd aan Thot, de god van de wijsheid. Een ibis werd gezien als de aardse verschijning van de god Thot, daarom werden ibissen gebalsemd en in stenen kruiken bijgezet in de graven. In de grafgrotten van Sakkara liggen miljoenen ibis-mummies. Volgens het volksgeloof is een ibisveer voldoende om een slang aan de grond te nagelen. Een ibisei schrikt alle wilde dieren af. Bij de joden was de ibis een onrein dier, omdat alle waadvogels tot de onreine dieren behoren. Toch wordt in het boek Job de vraag gesteld: “Wie verleende de ibis wijsheid…

Kraanvogel
Evenals een ibis kon een kraanvogel een slang verdelgen. In de oudheid werd de kraanvogel bewonderd om zijn onvermoeibaar vliegvermogen en een kraanvogelvleugel gold als een amulet tegen uit putting. De kraanvogel was het heilige dier van de godin van het gewas Demeter. Wanneer de kraanvogel met zijn trek begon, kondigde hij de lente aan en was zo het symbool voor vernieuwing. Het christendom maakte hem tot ‘symbool van de verrezen’ Christus en tot symbool voor waakzaamheid.

In de oud-chinese symboliek was Wo, de kraanvogel, een beeld voor lang leven, wijsheid, voorspoed en geluk. Een kraanvogel die naar de zon opstijgt geeft de wens aan om maatschappelijke carrière te maken. In Japan betekent de kraanvogel verhevenheid. In India is hij daarentegen het symbool van valsheid en arglist.

Paradaijsvogel
Over de paradijsvogel bestond tot in de 19e eeuw een fabel. De inboorlingen van Nieuw-Guinea en de Indonesische eilanden hadden de gewoonte om de huid van de dode vogels met veren en al af te stropen en zo te roken dat ze zonder poten en botten hun vorm behielden. De vogels werden verkocht naar Europa en werden daar voetloze paradijsvogels (Paradisea apoda) genoemd. Er werd verteld dat ze zich slechts met hemeldauw voedden, hun leven lang bleven zweven en vanaf hun geboorte rein waren. Daarom waren zij het symbool van onbezwaardheid, dicht bij God en ver van de wereld… In de 19e eeuw heeft een zoölogisch onderzoek een eind gemaakt aan, dit vreemde mysterie.

Door Rieny van Beek
Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 1995-2

Gelezen:
Prisma van de Symbolen, Hans Biedermann.
Bijbelse encyclopedie, onder redaktievan Prof. Dr. W. H. Gispen e.a.

Illustraties:

  1. Evert Root Sr.
    2. Vogelhandelaar, Karl Fröhlich
    3. Johann August Eckert
    4. Rieny van Beek
    5. Bettina von Arnim
    6. Kraanvogel uit: Symbols, Signs en Signets, Ernst Lehner.
    7. Rieny van Beek, 21 x 28cm, geknipt naar ontwerp van Olga Furginson.
    8. Rieny van Beek, 15 x 30 cm.

 

 

 

 

 

 

Diersymbolen

De prehistorische mens was nauw bij het dierenleven betrokken en hij herkende dieren aan hun vormen en gedragingen. Verbazingwekkend zijn de grottekeningen van bizons, paarden, giraffen, antilopen, herten, mammoeten en zwijnen die gevonden zijn in Cantabrië in Spanje en de Dordogne in Frankrijk.
De griek Aristoteles (384-322 v. Chr.), de leermeester van Alexander de Grote, verzamelde alle gegevens van de in zijn tijd bekende dieren en vulde ze aan met nieuwe waarnemingen en geniale over zichten. Hij schreef vier zoölogische werken, waarin hij 500 verschillende dieren behandelde.

Een aantal wilde dieren zullen we eens nader bekijken.
Tijger
De tijger is bij ons bekend sinds de veldtocht van Alexander de Grote naar Indië in 332 v. Chr. Zijn naam Tigris is afgeleid van het Iraanse woord “thigra”, wat scherp of spits ‘betekent. In Rome duikt de tijger voor het eerst op in het jaar 19 als geschenk van Indische gezanten aan keizer Augustus. In Azië is de tijger het symbool voor kracht, hij wordt erom bewonderd en gevreesd. Goden en helden dragen daarom tijgervellen.
In China noemt men zijn naam niet uit eerbied, maar omschrijft hem als “koning der bergen” of “groot krijgsdier”. Hij wordt algemeen gewaardeerd omdat hij de wilde zwijnen, die de akkers vernielen, verdrijft en verslindt. De tijger kan demonen verjagen en daarom staan er op graven vaak stenen tijgerbeeldjes; ook komt zijn beeltenis voor op de deurposten van de huizen. In Zuid-China bestonden “weertijgers, dat zijn mensen die in tijgers konden veranderen (zoals weerwolven in onze streken).

Panter
De panter is het symbool voor wildheid, strijdlust en list. In Rome werden panters sinds 186 v. Chr. uit Afrika gehaald om dienst te doen in de dierengevechten. Veel helden uit de oudheid dragen panterhuiden.
In het oude China is de panter een gevaarlijk, wreed en wild dier, zijn staart werd als veldteken op gevechtswagens geplant. Een mooie jonge vrouw kan de bijnaam “bonte panter” hebben als ze agressief is. De zwarte panter is bijzonder gevaarlijk.

Liesbeth Teunissen

Olifant
De olifant heeft een positieve symbolische betekenis. Hij wordt in Azië gebruikt als koninklijk rijdier en als werkdier en geprezen om zijn wijsheid. De geboorte van Boeddha werd aangekondigd door een witte olifant.
Van de olifanten zijn er nog twee soorten: de Indische olifant, die in Zuid-Oost Azië leeft en de Afrikaanse olifant, die in Midden-Afrika voorkomt. Vroeger was het verspreidingsgebied groter, vooral van de Afrikaanse olifant. In vroeger tijden was het ivoor van de slagtanden van de olifant een belangrijk handelsartikel, gelukkig is dat tegenwoordig verboden. Afrikaanse volkeren, die aan Egypte onderworpen waren, betaalden hun schattingen in ivoor.
Het Indische ivoor was mooier, witter en sterker. Daarom liet koning Salomo het door de Feniciërs aanvoeren met schepen om er een troon van te laten maken. Ook werden wanden, deuren en meubelen versierd met ingelegd ivoor en goud De Feniciërs gebruikten het ivoor om het deken de kajuiten van schepen met inlegwerk te kunnen voorzien.
In het oude China is de olifant het symbool voor kracht en wijsheid. Door zijn lange levensduur is hij ook het symbool voor het overwinnen van de dood. De olifant komt veel voor als rijdier van helden in Chinese sagen. Op een olifant rijden betekent daar “geluk”.
De olifant komt veel voor op afbeeldingen van het paradijs. Na de tijd van de kruistochten hij als wapendier op de wapens en schilden van adellijke personen. In 1464 werd in Denemarken een olifantenorde ingesteld. Een witte olifant was tot 1910 het wapendier van het koninkrijk Siam (Thai land).

Beer
In het oude China is de beer een mannelijk symbool voor kracht, zijn vrouwelijke tegenbeeld is de slang. Dromen over een beer wordt gezien als voorteken voor de geboorte van een zoon. In Chinese sprookjes speelt de beer de rol van onze “boze wolf”. In de christelijke symboliek is de beer het symbool van toom Volgens kerkvader Augustinus is de beer, die een schaap van de kudde rooft een beeld van de duivel.
In de tijd van de Bijbel kwam de beer voor in Palestina en Syrië. Toen de jonge David op de schaapskudde moest passen werd hij overvallen door een beer, die hij wist te verslaan. Dit verwijst naar de zege van Christus over de machten der duisternis De heilige Gallus wordt samen met een beer afgebeeld. De beer is Gallus behulpzaam omdat hij hem verlost heeft van een doorn in zijn klauw.

Nijlpaard
Het nijlpaard was reeds in de oudheid bekend. Egyptische inscripties vermelden dat het nijlpaard in het hele nijlgebied voorkwam. Het was daar een geliefd jachtdier, bejaagd met de harpoen, omdat het de akkers verwoestte. De nijlpaardgodin, een nijlpaard met vrouwenborsten, was een zegenbrengend amulet bij het bed van barende vrouwen. Ook in Palestina en de Jordaan kwam hij voor en in grotten zijn er overblijfselen van het dier gevonden. Hij wordt beschreven in Job 40 vers 10 tot 19, vooral zijn geweldige lichaamsbouw en kracht treden daarbij op de voorgrond. Het nijlpaard symboliseert kracht en sterkte en is vaak te zien op afbeeldingen van Gods schepping van de dierenwereld.

Ineke Sanders

Struisvogel
De struisvogel is sinds de 5de eeuw vvoor Chr. bekend in de landen rond de Middellandse Zee en komt op oude rotstekeningen voor. Hij kwam vroeger veel voor in Palestina en de Syrische woestijn en is een metgezel van de jakhals. Hij wordt uitvoerig beschreven in Job 39 vers 16 tot 21.
Bij gevaar steekt de struisvogel de kop in het zand om niet gezien te worden, daarom is het dier het symbool van de traagheid. Omdat de struisvogel vaak zijn vleugels uitspreidt maar niet kan vliegen is hij ook een beeld voor huichelarij.

Jakhals
De jakhals leeft in grote groepen, die zich overdag schuilhouden en tegen de avond op pad gaan om aas te verslinden. De jakhals is een hondachtig dier dat zich graag bij graven ophoudt, daarom is hij een voorbode van de dood. De Egyptische doodsgod Anoebis wordt vaak met de kop van een jakhals afgebeeld. De zwarte jakhals is in de christelijke iconografie het symbool voor het geloof in een voortleven na de dood in het hiernamaals.

Hyena
De hyena is een veracht en onrein dier met een negatieve symbolische betekenis Deze lijkenvreter wordt beschouwd als bastaard van wolf en hond. Hij is het symbool van de hebzucht. Een legende vertelt over de woestijnheilige Makarios, die een jong van een hyena geneest van zijn blindheid. Symbolisch betekent dit dat het mogelijk is iemand met een negatieve aanleg toch “de ogen te openen”.

Gelezen:
– Prisma van de Syinbolén, Hans Biedermann.. Bijbelse Encyclopedie, Prof.Dr.W.H.Gispen e.a.
– Van Mammoet tot Gorilla, Lekturama encyclopedie

Door Rieny van Beek
Dit artikel is eerder gepubliceerd in Knip-Pers 1995-1

Rieny van Beek, afm. 24  x 34 cm.

Illustraties 1: Annet van der Heide

Voor zover bekend hebben de uitgebeelde de volgende symbolische betekenis:
Vlinder: vrolijkheid en dartelheid
Vis: Christus (christelijke symboliek)  geluk
Geit: vruchtbaarheid
Schaap: argeloosheid en hulpeloosheid
Konijn: vruchtbaarheid en weerloosheid
Ree: zachtheid en soepelheid
Hert: zachtmoedig en fier
Antilope: lieflijk en schoon
Papegaai: babbelzucht en napraterij
Arend: snelheid
Pelikaan: opofferende ouderliefde
Aap: boosaardigheid en lelijkheid
Struisvogel: het niet willen zien en weten, traagheid en huichelarij
Tijger: kracht
Olifant: kracht en wijsheid
Beer: gevaar en kracht
Wolf: het kwade
Schildpad: stille kracht, lang leven en vitaliteit
Slang: duivel en dood
Krokodil: lui en onbarmhartig, huichelarij
Kikker: vruchtbaarheid

Knip kaarsen uit je Kerstkaart

Heerlijk werk, kerstkaarten knippen! Dit ontwerp leent zich voor kaarsen, kerstbomen, ballen en andere kerstonderwerpen. Het werkt net andersom als anders: wat je overhoud wordt je kaart!

Neem een vel zwart papier van 14 x 10,5 cm. Maak een zigzagvouw: de hoofdvouw komt op 8,3 cm en daarna vouw je beide delen terug naar de hoofdvouw.
Zet fig. 1 over op je gevouwen papier en maak vast met nietjes in de kaarsen. Knip de hele en halve kaarsen uit. Vouw gedeeltelijk open en knip nog een halve kaars uit de hoofdvouw. Naar je zin? Dan weet je nu hoe het gaat!

de hoofdvouw is de linkerzijkant er zit een vouw midden door de middelste kaars de rechterkant is ook een vouwlijn

Je eigen ontwerp werk het uit op bovenstaande manier. Plak het resultaat met enkele tipjes lijm op stevig wit papier. Maak 2 (verkleinde) kopietjes van het geheel en plak ze rechts onder elkaar op een liggend A4 wit papier iets vrij van de kanten

Ga naar een goede kopieerwinkel. Kies 160 grams wit papier. Voeg ze in een speciale la van de kopieermachine (men is altijd bereid je te helpen!). Leg je vel met twee kopietjes op de glasplaat. Maak eerst een dunne kopie om te zien of alles er goed op staat. Oké?
Stel het aantal gewenste exemplaren in en druk op start. Als alles klaar is snijd je de vellen netjes overdwars doormidden. Vouw elke strook dubbel en je kaarten zijn klaar.

En verder… Met je eigen ontwerp kun je ook verder experimenteren, zoals hieronder te zien is met het ‘kaarsen ontwerp’.
Verklein vier kopietjes van je knipwerk. Ga nu schuiven: leg zo naast elkaar, gedeeltelijk over elkaar heen, knip er onderdelen af, neem het negatieve beeld enz. Doe dit net zolang tot je een aardig totaal plaatje hebt gekregen. Daarmee stap je naar de kopieerwinkel. Je maakt tot kaartformaat verkleinde kopietjes enzovoort, zoals eerder beschreven.
Klinkt het ingewikkeld? Het doen valt erg mee. Gewoon beginnen en stap voor stap uitvoeren. Dan wordt je er snel handig in.

Kerst Kniptip

Door Lies Markus

Kerstmis lijkt nog ver van ons vandaan, maar degenen onder ons die besloten hebben nu ECHT dit jaar eens zelf kerstkaarten te gaan maken, zullen wel merken dat men het beste al in deze tijd kan beginnen. Hoe dichter bij de feestdagen, hoe minder tijd en enthousiasme er overblijft. Hierboven ziet u enkele zeer eenvoudige voorbeelden, zoals uzelf ook wel in boeken en reclamefolders kunt vinden, maar het gaat nu meer over de toepassing ervan.

Lies Markus

U kunt bv. een aantal kerstboompjes schuin over elkaar heen plakken of in waaiervorm. Leuk om hier bij kleuren toe te passen. Als de bomen steeds kleiner achter elkaar geplakt worden, suggereren ze perspectief. Telkens een klein randje verschuiven staat ook leuk en geeft schaduweffect.

Men kan hetzelfde ook uithalen net andere kerstfiguren, zoals ballen, kaarsen, kerstmannetjes etc. Ook kam men de figuren van binnen uitknippen en daar iets anders in- of achterplakken, zie de voorbeelden. Het hangt van uw fantasie af, welke variatie u maakt.

Vergeet vooral niet gebruik te maken van de “negatieven”, dat zijn de heel gebleven overgeschoten stukjes papier waar u iets uitgeknipt hebt. Ook die geven vaak verrassende resultaten.

Lies Markus

Nog een tip van een onzer leden, mevrouw B. Lieffering: Knipt u het liefst uit tweezijdig zwart papier, maar is dat soms wat moeilijk voor uw ogen: speld of maak dan met paperclipsen een stukje heel dun wit papier (vloei- of doorslagpapier) vast op het door u te bewerken stuk zwarte papier. Eerst het binnenstuk uitknippen en dan pas de rand. Veel knipplezier…

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Knip-Pers 1987-3

Kerstkleed en een snelle ster

Hoe groter het papier, hoe meer onderdelen er passen in de gevouwen punt. Als kerstkleedje is het een sieraad voor het raam (A). Maak een eigen vulling aan de hand van dit idee. Neem rustig de tijd en gebruik het voor je kerstkaarten.

Wat dacht je van gekleurd knipwerk? Grote rollen kaftpapier zijn in diverse effen kleuren te koop. De prachtige glans van dat papier geeft je knipsel nog iets extra’s. Kortom: mogelijkheden genoeg, echt een uitdaging om winteravonden mee te vullen.

Werkwijze:

A. Neem een vel papier van 30 x 30 cm. Vouw 3x dubbel tot een punt. Rond met potlood de bovenkant af. Doe nietjes door het uitstekende deel. Deel de punt in vieren: buitenrand 1 cm, motiefdeel 6 cm, binnenrand 1 cm, centrumdeel 6 cm. Breng je schets aan. Knip met een stevige schaar de tandjesrand. Doe nietjes door 2 laagjes en knip dat uit, herhaal het motief op de punt er onder en knip weer door 2 laagjes. Vouw alles open en druk het knipsel mooi plat.
B. Snijd uit de voorkant van dubbele kaart 13 x 13 cm een vierkant, diagonaal 9cm (= zijden 6,4 cm) op de punt. Vouw donkerblauw knippapier 8 x 8 cm drie keer dubbel. Knip of snijd de puntjes uit. Vouw open en plak achter het venster. Dek af met holografisch papier 8,5 x 8,5 cm of laat open.

Toch nog iemand vergeten een zelfgemaakte kaart te sturen? Dan is hier één idee voor een super snelle ster. Veel plezier bij het ontdekken van de variaties!

De bovenkant van de afbeelding is de open kant van het vouwsel in vieren.

 

De Kerstboom als omlijsting

Door Rieny van Beek

Wanneer er uit een dubbelgevouwen stukje papier een kerstboom wordt geknipt (1), ontstaat er een positief beeld (2) en een negatief beeld (3).

Als de kerstboom als omlijsting moet dienen, gebruik dan steeds het negatieve beeld.

Neem een stukje papier van 8 x 12 cm. Vouw dit in de lengte dubbel, zodat het 4 x 12 cm wordt. Teken tegen de vouw een halve kerstboom, teken in de kerstboom tegen de vouw een halve voorstelling, zoals een kaars, kandelaar (4), kerstklok (5) of ster. Zorg er wel voor dat de voorstelling aan de kerstboom vast zit.
Knip nu in één beweging de kerstboom en aansluitend de voorstelling uit. Als het papier opengevouwen wordt is de kerstboom weggeknipt, negatief beeld, en de voorstelling staat in de boom, positief beeld. Maak enkele versieringen in de voorstelling.
Het is een leuk idee om achter het zwarte papier een stukje groen origamipapier te plakken in een effen tint of in aflopende tinten.

In het negatieve beeld van de kerstboom kunnen ook silhouetjes geknipt worden. Dit gaat als volgt:
Knip uit een dubbel gevouwen stukje papier de halve omtrek van de kerstboom. Begin boven aan en knip de onderrand NIET. Vouw het papier open en teken en/of knip in de kerstboom twee silhouetjes. De kerstboom valt weg en de figuurtjes staan voor een verlichte kerstboom.

Veel succes en goede feestdagen.

Deze tip verscheen eerder in Knip-ers 1992-4.
De illustraties bij de Knip-Tip zijn van Rieny van Beek.

Prikwerk in het knipkunstmuseum, deel 5, slot

door Atty Broer

Zoals ik in de vorige Nieuwsbrief al schreef waren Leendert Hendrik Viruly en zijn vrouw, Annette Bartholine Christine van Pelt, beide afkomstig uit een gegoede familie. Annette werd op 16 oktober 1803 in Schiedam geboren als oudste kind van Martinus van Pelt en Maria Christina Loncq. Haar vader was brandewijnstoker in die stad. Het ging hem klaarblijkelijk voor de wind, want toen zijn vrouw in 1840 overleed en hij eigenaar werd van hun gezamenlijk bezit, bleek dat onder andere te bestaan uit de volgende onroerende goederen: vijf huizen met bijgebouwen en erven, vier branderijen met bijgebouwen en erven, twee pakhuizen, een aandeel in drie windkoornmolens en een aandeel in scheepstimmerwerf “De Nijverheid”, gelegen aan de Buitenhaven in Schiedam. Aan roerende goederen en geld ontbrak het de familie evenmin.

Leendert was het achtste kind uit het gezin van Jan Dionijs Viruly en Helena Hendrika Beumer. Hij werd op 2 maart 1800 geboren op de buitenplaats ‘s Gravenmade, gelegen in de gemeente Rijswijk. Hij was een telg uit het omvangrijke patriciërsgeslacht Vinily waartoe ook de latere vliegenier/schrijver Adriaan Viruly behoorde. Zijn vader was koopman, hij handelde onder andere in land. Het familiewapen van de Viruly’s wordt in het Nederlands Patriciaat 1933/34 als volgt beschreven: “In blauw een gouden dwarsbalk, vergezeld van drie omgekeerde hoefijzers, tusschen de twee hoefijzers een zilveren komeet. Helmteeken: een blauwgouden vlucht, waartusschen een hoefijzer van het schild. Dekkleeden: goud en blauw”.

Leendert vestigde zich op 18-jarige leeftijd in Schiedam in de wijk A nr. 154, in het bevolkingsregister staat dat hij landeigenaar is. Twee jaar later wordt in de huwelijksakte (1 december 1820, akte 77) vermeld dat hij koopman en koornwijnstoker is. Het jonge echtpaar bleef in Schiedam wonen tot 1842, steeds op hetzelfde adres. Op 20 juni 1842 verhuisden ze naar Delft waar ze de rest van hun leven bleven wonen in wijk 6, nr. 121 in een huis dat ze van Leenderts broer Pieter gekocht hadden. Hun huwelijk bleef kinderloos.

Dat ze in hun lange huwelijksleven maar op twee adressen in de bevolkingsregisters voorkomen wil niet zeggen, dat ze daar ook daadwerkelijk het hele jaar woonden. We zagen al dat Leendert landeigenaar en koopman was, koornwijnstoker wordt hij al leen in de huwelijksakte genoemd. Ook later is er nooit meer sprake van activiteiten in die branche. Nee, hij legde zich helemaal toe op de handel in land en huizen in het gebied tussen Schiedam, Schipluiden, Rijswijk en Delft, Midden Delfland dus. Daar bezat hij verschillende buitenplaatsen waar hij soms langere tijd woonde net zoals de rijke kooplieden uit Amsterdam in de 17de en 18de eeuw ‘s zomers op hun buitenplaatsen aan de Vecht of in het Gooi verbleven. Deze veronderstelling baseer ik op notariële akten waarin hij nogal eens Rijswijk, ‘s Gravenmade of Sion als woonplaats opgeeft, terwijl hij niet in het bevolkingsregister van Rijswijk voorkomt.

De gemeentearchivaris van Rijswijk vertelde me dat welgestelde mensen -en de Viruly’s waren de rijkste men sen die Rijswijk ooit binnen de grenzen gehad heeft, in 1850 hoorde hij al bij de tien hoogst aangeslagenen in de directe belastingen- het ook niet altijd meldden als ze verhuisden, die overheidsbemoeienis vonden ze beneden hun stand. Het landgoed ‘s Gravenmade was al sinds 1791 familiebezit, het bestond uit een herenhuis en een boerderij. Leendert was er in 1800 geboren en een jongere en oudere zuster eveneens. In 1792 kocht zijn vader ook het ernaast gelegen en veel grotere Oversteen waar de familie toen ging wonen en ‘s Gravenmade verhuurde aan de burgemeester van Den Haag. Het huidige ‘s Gravenmade is een van de weinige buitenplaatsen die nog in de gemeente Rijswijk overgebleven zijn.

De boerderij is er niet meer. In de 18de eeuw behoorden vijftig tot zestig buitenplaatsen tot de gemeente Rijswijk. De meeste zijn verloren gegaan, het enige wat soms rest is een bruggetje, een hek, een gevelsteen, een park of soortgelijke bouwkundige of natuurmonumenten.

Tussen 1850 en 1861 hebben de Viruly’s enige tijd op Sion gewoond, het tot woonhuis verbouwde koetshuis van de voormalige grote buitenplaats Sion. Het dankte zijn naam aan een klooster dat tot 1572 op die plaats gestaan bad. Omstreeks 1800 werd het afgebroken en werd de grond als tuinbouwgrond in gebruik genomen.

Alleen de toegangsbrug met hekken (1680) en de naam Sionsweg herinneren nog aan een groot verleden. Een bijzondere betekenis had het landgoed Keenenburg voor Viruly. Daar ontleende hij namelijk zijn titel “Heer van Keenenburg” aan, die ik voor het eerst in een notariële akte van 3 juni 1841 aantrof. Keenenburg was al in de Middeleeuwen bekend.

Het werd voor het eerst genoemd in 1046 toen de Hollandse graaf Dirk (de Derde?) een aanval van de Duitse keizer Hendrik III wist af te slaan door de omgeving onder water te zetten en Keenenburg en Vlaardingen veroverde. Het kasteel ging ten onder, maar in 1409 werd een nieuw “huis” gebouwd door graaf Willem van Beieren. Na diens dood kregen de Heeren van Keenenburg het in bezit. Toen dit geslacht in 1460 uitstierf kreeg het slot andere eigenaren. Over de ligging van het slot zegt A. J. van der Aa in zijn Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden: “Het slot Keenenburg stond op 2,5 uur Z.O. van ‘s Gravenhage, 1 uur Zuid van Delft, 2 min. O. van Schipluiden aan de Gaag. Het werd aldus genoemd omdat het omtrent den stroom de Keen gebouwd was. Het was een ruim gebouw met ene fraaije steenen poort aan den rijweg en de trekvaart. Het pronkte met eenen zwaren vierkanten toren van een sierlijk maaksel, met vrij hooge, spitse en wel uitgewerkte hangtorens op ieder der vier hoeken. De ruime singels, lanen en boomgaarden, waarmede het slot omringd was, gaven het een trotsch aanzien”. In 1798 werd het afgebroken, maar de naam van de heerlijkheid leefde voort en werd gegeven aan de hofstede die op de plaats van het slot gebouwd werd. Deze hoeve kwam in het bezit van Viruly en hij ging zich Heer van Keenenburg noemen. In 1839 kocht hij een dubbele bank van een zekere Vrouwe Hermina van Lockhorst van Tol van Veenhuyzen die deze bank in 1808 van de kerkmeesters van de Hervormde Kerk gekocht had en die afkomstig was van huize Keenenburg. In 1871 kopen de kerkmeesters hem weer terug (Ons Voorgeslacht, jrg. 20, 1965, nrs. 129-139). Waarschijnlijk voegde Viruly na de aankoop van Keenenburg het wapen van de Ridder Hofstad Keenenburg aan zijn familiewapen toe. Dat wapen, “een schild van zilver beladen met drie blaauwe Leliën geplaatst 2 en 1”, is op 14 juli 1819 door de Hooge Raad van Adel bevestigd. Het is als hartschild in het midden van de blauwe dwarsbalk in Viruly’s wapen opgenomen.

Het is onder andere te zien in een van de ingemetselde reliëfs boven de toegangspoort van het Hoogheemraadschap Delfland in Delft, die herinneren aan een aantal bekende. hoogheemraden uit het verleden. Zo komen we op de functie die Viruly jarenlang in het Hoogheemraadschap had. Van 1838 tot 1853 was hij hoofdingeland van het Hoogheemraadschap Delfland en van 1854 tot 1868 was hij hoogheemraad, d.w.z. dat hij deel uitmaakte van het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap. Voor hem hadden zijn vader en een oudere broer en na hem een neef ook zulke functies bekleed. Dergelijke functies waren altijd voorbehouden aan invloedrijke grootgrondbezitters en gingen van vader op zoon of een ander familielid over. Dat Viruly rond 1840 al lang grootgrondbezitter was blijkt onder andere uit een lange lijst van vergunningen die hij aanvraagt om werkzaamheden aan zijn bezittingen te verrichten. In een Supplement Inventaris van het Oud-Archief van het Hoogheemraadschap van Delfland (1853-1857) vond ik er maar liefst 24. Het betrof bijvoorbeeld: het planten of juist verwijderen van bomen op een kade, het verleggen van een zandpad van het dorp Schipluiden naar de Zouteveenscheweg, het vernieuwen van duikers, het repareren of vernieuwen van dammen, het vernieuwen van hekken, enz.
Viruly’s eerste aankoop was waarschijnlijk die van een aandeel in de “Vriendschap” van stadsarchitect Cornelis van Bol ‘Es. Het betrof “een tuin, koepel, kolfbaan en verder getimmerte, gelegen in Kortland even buiten de Vlaardingse Poort aan de Franckenlandsche Weg te Schiedam, met alle de meubilaire goederen, billard, glaswerk, stoelen, tafels, tuingereedscbappen, enz” (not. akte, 4 december 1823). Hiermee begon een bijna eindeloze reeks van transacties. Uit de omschrijving van de percelen land die hij kocht krijgen we een aardig indruk van de bodemgesteldheid in Midden Delfland omstreeks het midden van de 19de eeuw. Er was nog heel wat moerassig onontgonnen land. Naast percelen weiland, hooiland en hakhout is er in akten ook regelmatig sprake van nog te vervenen land. Hij kocht zulke goedkope perceeltjes soms met de bepaling dat ze verveend opgeleverd moesten worden, de verkoper deed dus het zware werk en mocht dan wel de veenbagger (turf) houden, die overigens niet veel waard was. Zo kwam hij voor een zachte prijs in bezit van bruikbare grond die hij verpachtte of weer van de hand deed. Ook hier dringt zich evenals bij de manier van wonen- in de stad en op buitenplaatsen- een vergelijking op met de 17de eeuwse Amsterdamse kooplieden, die een belangrijke rol speelden bij de droogmaking van de Noord-Hollandse meren.
Behalve met de handel in onroerend goed was Viruly ook actief in de effectenhandel. Een totaal beeld van zijn bezittingen krijgen we uit de memorie van successie (een document waarin aangifte wordt gedaan van de nalatenschap) opgemaakt na zijn dood op 3 april 1881 aangegeven door zijn neef Jan Dionyszoon Viruly. Een greep eruit: 85 vermeldingen van aandelen en/of obligaties van buitenlandse spoorwegmaatschappijen en staten, zoals vier Russische, twee Amerikaanse, twee Nederlandse en een Italiaanse spoorwegmaatschappij; obligaties van staatsleningen van Nederland, Oostenrijk, Spanje, Brazilië, Egypte, Portugal, Turkije en Polen, aan onroerend goed de buitenplaatsen Ons Genoegen, Keenenburg, ‘s Gravenmade en Vredebest, 5 bouwmanswoningen en enkele woonhuizen en een herenhuis in Delft en voorts op tientallen locaties percelen wei- en hooiland, water en hakhout en tuinen. In kunst heeft Viruly blijkbaar geen geld belegd, nergens heb ik iets gevonden daaromtrent en er zijn van hem noch van zijn vrouw afbeeldingen in de vorm van een schilderij, tekening of silhouet bekend. Na aftrek van lasten bleef er aan erfenis een bedrag van f1.231.522 over dat verdeeld werd over een groot aantal (achter)neven en -nichten, maatschappelijke instellingen en de kerk. Zijn huishoudster werd bedacht met een jaargeld tot aan haar dood en voor andere personeelsleden waren er legaten. De juistheid van de opmerking van de gemeentesecretaris dat Viruly tot de rijkste mensen van Rijswijk behoorde is hiermee wel bewaarheid.

Geraadpleegde bronnen:
– Nederlands Patriciaat 1933/34.
– Nederlandsche Wapens van het Rijk de Provinciën en de Gemeenten, voorts de Waterschappen, Heerlijkheden, enz., dl II, beschreven onder toezicht van den Hoogen Raad van Adel.
– Kastelen en Buitenplaatsen, monumenten in Rijswijk, M. Brekelmans, Gemeente Rijswijk 1986.
– Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, A.J. van der Aa.
– Supplement Inventaris van het Oud-Archief van het Hoogheemraadschap van Delfland 1853-1887.
– Index van bestuursleden, secretarissen en fiscale ambtenaren, ca. 1290-heden.
– Kaart van Cruquius (1712).
– Kaart van Floris Balthasars (1611).
– Ons Voorgeslacht, jrg.20, 1965, nrs. 129-139.
– Notariële archieven in de gemeentearchieven van Schiedam, Rijswijk en Delft.
– Memories van Successie, Nationaal Archief Den Haag.

De driemaster

Gerrit Groenewegen

Dit schip lijkt het meest op een zogenaamd koopvaardijfregat, een combinatie van een koopvaardijschip en een oorlogsschip. In het boek “Verscheidene soorten van Hollandse vaartuigen” (uitgegeven eind 18de eeuw en opnieuw uitgegeven in 1967 bij de Europese Bibliotheek in Zwolle) vond ik verschillende afbeeldingen van de hand van Gerrit Groenewegen van zulke schepen. In de 17de en 18de eeuw werden koopvaardijschepen vanwege de kans op ontmoetingen met kapers op de lange, gevaarlijke routes naar Oost- en West-Indië stevig bewapend. Bovendien werden schepen in tijd van oorlog nog al eens als oorlogsschip ingeschakeld.

Gerrit Groenewegen

Ons geprikte schip is een 18de eeuws Hollands schip. Het is omstreeks 1820 gemaakt op papier van de firma C. en D. Blauw, die als watermerk “De Vrijheid” (Pro Patria) gebruikte. Het schip heeft een platte spiegel, alleen van een soort raamwerk voorzien en een galjoen, een verhoogde uitbouw aan de boeg waar als boegbeeld een leeuw prijkt. Het heeft twee dekken en een kampanje, het verhoogde achterdeel van het schip. De dekken zijn aan de zijkanten afgesloten, maar hebben wel geschutsopeningen, evenals de kampanje. Het schip vaart met bolle zeilen voor de wind.
Het werk is met een heel fijn pennetje of naaldje geprikt. De grote vlakken, zoals de zeilen, zijn ingevuld met golvende en rechte lijntjes met prikwerk ertussen. Op soortgelijke wijze is het kabbelende water weergegeven. De omtrek van de romp van het schip is vanaf de achterkant geprikt waardoor het schip als het ware van de achtergrond loskomt. Met verschillende prikpatroontjes zijn de drie kleuren van de Nederlandse vlag aangegeven. Grappig is dat de vlag aan de achtersteven de verkeerde kant op waait, tegen de wind in. Zou hij de goede kant uitwaaien dan zou hij teveel van de zeilen bedekken. Evenals in de Viruly-werken zijn in dit prikwerk een paar foutjes gemaakt. De top van de grote mast en de punt van de boegspriet steken door de omlijsting heen.

Aan het begin van deze serie over het prikwerk in ons museum noemde ik als voorbeeld van modem prikwerk onder andere de mapjes met voorbeelden om kaarten te maken, die onder de benamingen “ornare” en “perfomare” worden verkocht. Maar er wordt ook nog naar eigen ontwerp geprikt. Zo kwam het museum enkele jaren geleden in het bezit van drie leuke geprikte tafereeltjes gemaakt door mevrouw Jannie Rip, waaronder een klein jongetje zittend in het gras. In de kleding van het kind en in de bloemblaadjes is reliëf aangebracht en ze heeft losse bloemetjes, vogeltjes en een vlindertje er op geplakt. Verder zien we prikwerk ook toegepast in oud en modem knip-en snijwerk, bijvoorbeeld om grotere vlakken in te vullen of om het geheel te verstevigen. In het museum zien we dat bijvoorbeeld in de huwelijksstukken van Gerrit Schaafsma en Petronella Wassenaar (ca. 1845) en Ockert/Bredehoff (1727).

Ik denk dat deze kunstvorm niet snel zal verdwijnen, creatieve mensen zullen er altijd zijn en papier, schaar, mesje en prikpen liggen binnen ieders bereik. En dat er met zulk eenvoudig materiaal veel moois gemaakt kan worden heb ik geprobeerd u in mijn vervolgverhaal te laten zien.

Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief van het Museum voor Papierknipkunst en Stichting W. Tj. Lever, 2004-1.

Kerstkniptip

Door Rieny van Beek

Een kerstsymbool bij uitstek is de kerstster. Bij het knippen van sterren is het belangrijk hoe het papier wordt gevouwen. De 4-punt, 8-punt en 16-punt worden op dezelfde manier gevouwen. Neem een vierkant stukje papier. Vouw dit drie keer volgens de tekening. Denk erom bij de derde keer, dat de dichte kant tegen de dichte kant komt.

Van het gevouwen stukje papier wordt nu iets afgeknipt van de open kant. Voor een 4-punt volgens een rechte lijn. Voor een 8-punt een V eruit knippen en voor een 16-punt een W eruit. Zie tekening. Het gearceerde gedeelte wegknippen.

Daarna kunnen in het overgebleven deel versieringen aangebracht worden, door vanuit de vouw stukjes weg te knippen (net als bij kleedjesknippen).

Plak een gouden of zilveren ster op een rode of groene kaart, en een rode ster op een witte kaart. Een leuk effect geeft het om onder een rode uitgewerkte ster een gouden of zilveren te plakken die net iets groter is. Smeer de kaart helemaal in met behangplaksel, leg de ster erop en vloei af met een kladblaadje of keukenrol. Is de kaart droog, dan een nacht onder een stapel boeken leggen om kromtrekken te voorkomen.

Sterren kunnen ook geknipt worden van zilverkleurig of tweekleurig aluminiumfolie en met een paperclip aan de punt in de kerstboom opgehangen worden. Een kerstlint is te maken door enkele sterren, bijvoorbeeld witte, op een rood lint te bevestigen door middel van een splitpen in het midden. Het maken van een adventstak is ook een mogelijkheid. Dit is een idee van Atie Willemse. Begin ermee op de eerste adventszondag. Knip voor elke dag een ster en hang deze in een flinke sparrentak. Hang de sterren zó, dat er na vier adventsweken vier sterrenbanen schuin naar boven lopen. Deze vier banen eindigen in één grote ster, de kerstster, die eerste kerstdag wordt opgehangen.

Een paar voorbeelden om kaarsen te knippen:


Begin bij een dubbel gevouwen stukje papier vanuit de vouw te knippen. Eerst de kleine versieringen uit het grotere motief knippen, daarna het grote motief zelf, ook weer vanuit de vouw, en als laatste de buitenrand.

Deze tip is eerder gepubliceerd in Knip-Pers 1987-4