Nettie van Vooren maakte prachtige voorbeeldbladen.
Hier wat positief/negatief voorbeelden (wat je eruit knipt kan je ook gebruiken) en verschillende bladvormen. Wist je dat elke boom een andere vorm van blad heeft?

Door Rieny van Beek
Boven de wolken
moet de vrijheid
wel grenzeloos zijn.
In het volksgeloof neemt het dier een belangrijke plaats in. Hij is de metgezel van de mens. Soms schrijft men het dier verstand toe, of men gelooft dat dieren in de kerstnacht kunnen praten. Vroeger geloofde men dat dieren de dood aankondigden: het gekras van een uil in het holst van de nacht, een vlaamse gaai die schreeuwend om het huis vliegt, zij zijn beide aankondigers van de dood. Ook kondigen vogels onheil aan, zoals het voorbijvliegen van een zwarte vogel op een eenzame weg, het schreeuwen van een nachtvogel, een vogel die tegen het raam vliegt of pikt, of het vinden van een dode vogel. De Noordzeevissers geloofden vroeger dat, wanneer er een zwarte vogel s nachts over het schip vloog, er in de familie van één van de vissers een sterfgeval zou plaatsvinden.
Er zijn ook vogels die geluk brengen, zoals de zwaluw, de koekoek en de ooievaar. Volgens het Engelse volksgeloof hangt het er van af hoeveel kraaien men ziet. E kraai brengt onheil, twee kraaien brengen geluk.
De tortelduif is het beeld van de tedere liefde, onschuld, zachtmoedigheid en weerloosheid. Een duif met een brief is een boodschapper of postillon d’amoure. De eend is een symbool uit de Griekse mythologie en betekent huwelijkstrouw. Ook de zwaan is een huwelijkssymbool, het is het dier der minne dat Venus en Amor vergezelt. Twee zwanen betekenen huwelijkstrouw; dit is ontleend aan de dierenwereld, waar een zwaan zijn partner kiest voor het leven en haar altijd trouw blijft. In de Germaanse mythologie is de zwaan een attribuut van Wodan, evenals zijn witte paard en gans, en betekent licht en levensdrager.
De adelaar is het beeld van koninklijke macht en verhevenheid. Hij wordt wel gebruikt in de heraldiek en komt dan voor op familiewapens of wapens van landen of steden.
De raaf betekent beschermeling. In de 13e eeuw werd in Engeland de kop van een raaf begraven op Tower Hill, om de bevolking van de hoofdstad tegen haar vijanden te beschermen.
De reiger betekent prikkelbaar en driftig, de gier symboliseert een scherp gezicht, terwijl slankheid wordt uitgebeeld door een meeuw. Een patrijs is een roeper en beeldt vaderzorg uit; het mannetje rent ‘s avonds al roepend over het veld heen en weer om de jongen te roepen, die zich overdag over de akkers verspreid hebben om voedsel te zoeken.
Een papegaai symboliseert babbelzucht en napraten De pauw is een symbool voor pronkzucht, ijdelheid en weelde. De hovaardij is een rijk opgetooide jonge vrouw met een pauw; zij kijkt naar haar eigen beeld in een spiegel, die zij in haar hand draagt. De pauw is ook het symbool voor koninklijk en ridderlijk gedrag; in koninklijke tuinen ziet men vaak pauwen lopen. In 1400 legden de ridders in Engeland de eed van trouw af op de zijkant van een opgezette pauw. In de christelijke symboliek is de pauw het beeld van de ziel en het symbool voor opstanding en onsterfelijkheid.
Gelezen:
Dieren in het volksgeloof uit Volksgeloof en bijgeloof, door Dr. P.J. Meertens.
Bijbelse encyclopedie, Prof. Dr. W.H. Gispen e.a.
Het beste vogelboek, uitgegeven door the reader’s digest.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in Knip-Pers 1991-1
Door Jeannet Pasterkamp-Boerkoel
In Knip-Pers 2006-4 wordt verteld over de ontwikkeling van de schaar. Daarbij wordt de vraag gesteld: Wie zou er bedacht hebben, dat een mes van twéé kanten kon snijden? Als je de vraag anders stelt, namelijk wie heeft er bedacht dat je met twee messen kunt knippen, kom je dichter bij de oorsprong van onze schaar. Wie het bedacht heeft, zullen we wel nooit te weten komen, maar wel waar de oudste messen gevonden zijn waar je mee kon knippen. Aan onze schaar ligt een dubbel identieke messen ten grondslag, die bij elkaar horen. Het zijn grote, grove messen van ± 30 cm lang, die met twee handen vastgehouden moesten worden. Met de rechter hand hield men de beide messen vast op een zodanige manier dat ze goed langs elkaar heen gleden. Het doet een beetje denken aan de manier waarop de Chinezen hun eetstokjes gebruiken. Met de andere hand steunde men het linker mes, waardoor de knipbeweging ontstond. Dit was niet gemakkelijk en vergde veel oefening. Het voordeel van deze messen was, dat zowel linkshandige als rechtshandige mensen er zonder problemen mee konden knippen. De oudste aanwijzing van deze manier van knippen dateert uit de 5e eeuw voor Chr. in Griekenland. Daar is een beeldje opgegraven van een kapper (misschien een slaaf) die aan het werk is met dergelijke messen.
De oudste messenparen die opgegraven zijn dateren uit de vroeg Romeinse tijd. Het was al een hele vooruitgang toen men de uiteinden van de handvatten met elkaar verbond met een bout of een stift. Het nadeel van deze schaar was, dat het moeilijk was om hem te openen en weer dicht te knijpen, daarvoor moest je toch weer twéé handen gebruiken. Hoewel ze niet veel voorkwamen, werden ze in het Midden-Oosten nog vele eeuwen lang gebruikt bij het schapen scheren.
De definitieve oplossing van dit probleem was de beugel- of knijpschaar. De handvatten van de messen werden door een ronde, verende beugel zodanig met elkaar verbonden dat er een schaar uit één geheel ontstond, waardoor de bladen vanzelf vlak langs elkaar heen sneden. Door in de greep te knijpen kon men met één hand knippen. Ook met deze schaar kan men met de rechter-, maar ook met de linkerhand knippen, omdat men de hele hand gebruikt en niet alleen de vingers.
Het is leuk om te zien dat het moderne knijpschaartje ook een beetje lijkt op een messenpaar waarvan de uiteinden met elkaar verbonden zijn. Daarmee is de geschiedenis van de schaar weer bij het begin terug gekomen.
Afbeeldingen:
Een kapper aan het werk. Terracottagroep Tanagra, 5e eeuw voor Chr.
Twee messen uit de Romeinse tijd, 2e – 4e eeuw. Romeins-Germaans Museum in Keulen.
Schematische voorstelling van het knippen met twee messen.
Geraadpleegde literatuur:
Hanns-Ulrich Haedeke, Jochem Putsch en Ernst-Wilhelm Niegeloh: Die Geschichte der Schere. Keulen, 1998.
Dit artikel verscheen in Knip-Pers 2007-3.
Door Jeannet Pasterkamp-Boerkoel
In de Knip-Pers 2006-4 hebt u het één en ander kunnen lezen over de ontwikkelingen van de verschillende soorten scharen. Daarbij komt vanzelf de vraag aan de orde: Hoe zouden die scharen geslepen worden?
Vooral bij de knijpscharen is dat moeilijk voor te stellen. Bij de luxe Romeinse schaar (afbeelding 1 uit het bovengenoemde artikel) uit het begin van onze jaartelling kon één blad uit de greep geklikt worden. Misschien is die schaar wel zo gemaakt, om de bladen gemakkelijker te kunnen slijpen. Dit soort scharen uit twee delen kwam maar heel weinig voor.
Scharen werden vroeger niet geslepen met een slijpsteen, maar ze werden gehaard met een zogenaamd haarijzer, een soort hamer. Net zoals de boeren hun zeisen scherp maken. Tussen de bladen van een knijpschaar uit één geheel werd een stokje gestoken, zodat ze een beetje uit elkaar stonden. Zo konden de bladen om de beurt gehaard worden.
Later werden de slijpstenen uitgevonden. De scharen met een draaipunt waren hiermee vanzelfsprekend veel gemakkelijker te slijpen. De twee delen waren met een pennetje verbonden dat er uitgestoken kon worden, zodat de aparte bladen gemakkelijk te slijpen waren. Tegenwoordig wordt er meestal een boutje gebruikt dat je in de schaar kunt schroeven.
Er zijn eenvoudige huis-, tuin- en keuken-methodes om zelf scharen te slijpen. In een stoffenwinkel liet een verkoopster vroeger eens zien, hoe zij dat deed. Ze haalde uit een la onder de toonbank een klein bruin ouderwets medicijnflesje met een lange hals tevoorschijn. Ze deed haar grote schaar wijd open en meteen lange, vloeiende beweging “knipte” ze in de hals van het flesje. Je kon er een dikke, witte streep in zien van het jarenlange gebruik. Ze vertelde, dat ze haar scharen nooit naar de scharenwinkel hoefde te brengen.
Tegenwoordig zijn er elektrische messenslijpers waar je ook scharen mee kunt slijpen. Maar dat is voor onze fijne knipschaartjes toch niet aan te bevelen.
Ed ten Berge, één van onze leden, heeft in de Knip-Pers 1991-2 uitgebreid verteld, hoe hij zijn schaartjes slijpt en hij heeft het destijds ook op de Contactdag laten zien.
Hij doet dit met behulp van repen heel fijn, watervast schuurpapier (nr. 400 of 600) van ongeveer 5 cm. breed, die hij langs de rug op het voorblad van een telefoonboek legt. Vervolgens strijkt hij met de snijkanten van zijn schaartje een keer of tien over het schuurpapier, waarbij hij het kruis van de bek geleidelijk van het schuurpapier af beweegt. Hij begint met de helft waar de fabrieksnaam op staat, daarna slijpt hij de andere helft. Daarmee voorkomt hij, dat hij het ene been twee keer slijpt en het andere niet.
Het is leuk, om het hele verhaal in die oude Knip-Pers nog eens door te lezen.
Foto: In het Openluchtmuseum in Arnhem loopt regelmatig een scharensliep met een ouderwetse kar met slijpstenen rond. De scharensliep weet er van alles over te vertellen. De kar is geen uniek museumstuk; hij is helemaal gerestaureerd en er mag mee gewerkt worden. Dat gebeurt dan ook volop.
Een nieuw schaartje knipt meestal nog niet meteen soepel, er gaat enige tijd overheen voordat het goed naar je hand gaat staan. Soms knipt een schaartje te stroef. Een miniem druppeltje naaimachineolie wil wel eens helpen. Ook kun je heel voorzichtig het schroefje een klein beetje los draaien. En als je geen schroevendraaiertje bij de hand hebt? Dan zit je met de handen in het haar. Letterlijk! Daar worden je vingers een beetje vettig van. Als je daarmee over de snijbladen van het schaartje strijkt, worden ze een beetje gesmeerd, zo glijden ze weer wat gemakkelijker langs elkaar.
Een schaartje moet heel soepel zijn; als je het ene oogje vasthoudt, moet het andere bijna vanzelf naar beneden vallen.
Hoe het slijpen ook gebeurt, het is belangrijk dat het goéd gebeurt, liefst bij een vakman. Het is heel leuk om te zien, hoe de scharen geslepen worden op een amarilsteen; dit is een blauwe, metaalachtige steen. En kinderen mogen zelf proberen om het grote wiel te laten draaien dat de slijpstenen in beweging brengt.
De Japanse scharenslijper M. lkegaya slijpt op ambachtelijke wijze al een jaar of 30 scharen. Eerst worden de losgekoppelde benen van de schaar op verschillende platen geslepen, te beginnen met een diamantplaat. Vervolgens worden ze gepolijst op diamant- papier. De finishing touch vindt plaats op een plaat van leer, speciaal van de bil van een paard. Vervolgens moet het schroefje er weer in. Dat is ook nog een secuur werk, want de schaar wordt opnieuw afgesteld zodat de snijvlakken en de punten van de schaar weer goed op elkaar aansluiten. Tenslotte volgt nog de proef op de som: Meneer lkegaya knipt in een stukje nat keukenpapier. Als de inknip vlot, glad en tot in het puntje geschiedt, is de schaar klaar. Probeer het ook maar eens.
Een prima adres om uw knipschaartjes te laten slijpen was de Fa. Holsboer uit Arnhem, vlak tegenover het Centraal Station. De schaartjes die bij de Knipvereniging te koop waren, komen hier vandaan. Dit bedrijf bestaat al sinds 1867. Het was oorspronkelijk een instrumentenfabriek voor geodesie, landmeetkunde. In de crisistijd verdrongen de Zwitserse precisie-instrumenten de Nederlandse en dat deed ook de instrumentmakerij van de fa. Holsboer geen goed. Men zocht naar nieuwe mogelijkheden en vond die in de optiek. Dat was een goede aanvulling van het assortiment. Eén van de werknemers was dhr. H. P. Derksen. Hij werd later directeur en mede-eigenaar. De fa. Holsboer werd een NV en nog weer later een BV van de familie Derksen, maar hij bleef bestaan onder de oude naam omdat die zowel in binnen- als buitenland bekend was. Dhr. D. Derksen nam het bedrijf van zijn vader over. Omdat het bedrijf eerst gespecialiseerd was in instrumenten, was hij gediplomeerd instrumentmaker. Hij moest zijn eigen gereedschappen kunnen maken, onderhouden en slijpen. Zo heeft hij geleerd om scharen te slijpen. Dat deed hij in 2007 al 56 jaar. Hij sleep ook onze schaartjes. Het is heel specialistisch werk, het is erg moeilijk om zulke fijne papier knipschaartjes te slijpen. Bovendien stelde hij ze opnieuw goed af, zodat het een genot was om er daarna weer mee te knippen. “Je moet er gevoel voor hebben”, zegt hij, “je kunt het, of je kunt het niet.”
Helaas is er nu niemand meer in het bedrijf die dit werk van hem over kon nemen. Meneer Derksen heeft op zijn beurt het bedrijf overgedragen aan zijn zoon, weer een H.P. Nu dus al weer de derde generatie Derksen, een echt familiebedrijf.
Er waren papierknippers in Arnhem en omgeving die wisten, dat dhr. D. Derksen goed scharen kon slijpen en daarom vertrouwden ze hun kostbare schaartjes aan hem toe. Door mond-tot-mondreclame werd het in steeds groter kring bekend, dat dit een goed adres was. Meneer Derksen heeft zich goed ingeleefd in het werk van een knipper. Daarom is hij begonnen om één punt van het schaartje plat te slijpen, zodat je niet zon lelijk beginpunt krijgt als je in het papier wilt knippen. Hij heeft zelf nooit papier geknipt. Door zijn eigen zaak had hij daar nooit de tijd voor, maar hij vindt knipsels wel heel mooi. Soms krijgt hij als dank voor het slijpen van een schaartje wel eens een knipsel. Daar is hij heel blij mee! Hij heeft nog niet zo lang geleden een nieuwe heup gekregen en kan nu even geen schaartjes slijpen. Maar als hij helemaal genezen is, hoopt hij dit werk weer te hervatten.
Niet alleen de scharen hebben een lange ontwikkeling doorgemaakt, maar ook de manier van slijpen. Die zijn gelukkig gelijk op gegaan. Stel je voor, onze schaartjes bewerkt met een haarijzer. Daar moet je toch niet aan denken!
Geraadpleegde literatuur: Knip-Pers, juni 1991.
Knipsel ‘de scharensliep’ (afm. 11 ,5×13 cm) en foto’s — Jeannet Pasterkamp.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in Knip-Pers 2007-1
door Susan Throckmorton
Sinds het midden de 19de eeuw maakte papierknipwerk een belangrijk deel uit van de opvallende ontwikkeling in het versieren van de huizen op het PooIse platteland. Het waren de voor ons bekende, in lagen gekleurd papier geknipte motieven: bloemen, hanen en andere vogels, scènes uit het boerenleven, sterren en levensbomen die de wanden en de balken van de boerenhuizen versierden. Verrassend is het om te ontdekken dat dit niet de oudste Poolse papierknipsels of wycinanki zijn. De oudste vermelding van papierknipsels in Polen is in een document uit 1830 waar gesproken wordt over gordijnen van papier of ‘firanki’.
De oorsprong van papiergordijnen is niet duidelijk. Aan het begin van de 19de eeuw werd steeds meer papier gebruikt en door nieuwe papiermolens werd hierin voorzien. Misschien kwam het idee doordat fabrieksmatig papiergordijnen en gedecoreerd kastpapier of ‘zabki’ werd gemaakt. Een andere mogelijkheid is de invloed van door snijmachines gemaakte inkepingen in kastplanken. Daarnaast is er een aanwijzing dat de idee kwam van Joodse straathandelaren die vanaf ongeveer 1780 langs de deur kwamen en papier verkochten. Hoewel deze datum laat is, hebben de Joden ongetwijfeld hun bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de papieren gordijnen. Joden die al gevestigde papierknippers waren in hun gemeenschappen in Polen, verkochten, met hun drang om te handel te drijven, niet alleen papier aan hun klanten, maar ook ideeën hoe je papier in het dagelijks leven kunt gebruiken.
De oudste gordijnen werden ‘wstazki’ of ‘linten’ genoemd en werden geplakt op spiegels of schilderijlijsten, van vaak heilige afbeeldingen. Behalve als versiering hadden ze ook het praktische nut om een beschadiging in prent of spiegel te verbergen. Zij werden eerst gemaakt van dun wit papier, later van gekreukt en later gladgestreken vloeipapier. Gewoonlijk werden twee strips papier van dezelfde afmeting, bovenin met een touwtje vastgebonden.
Zowel boven- als onderkant met een kartelrandje, of geschulpt. De onderkant werd versierd met rijen knipwerk.
Aan het eind van de 19de eeuw en begin van de 20ste eeuw werden de linten niet langer samengebonden met een touwtje, maar werd de strip plat opgeplakt.
In de eerst helft van de 19de eeuw hadden de boerenhuizen ook papieren gordijntjes voor de ramen. Opengewerkte patronen werden samengesteld op verschillende manieren tussen driehoeken, kruisen, cirkels, ellipsen, harten en vierkanten en ook uitgeknipt langs de vouwen van grote rechthoeken van wit vloeipapier.
Deze ‘lege’ of negatieve motieven werden vervolgens uitgebreid met bloemen, dieren, vogels, cupido’s, fruit, rozetjes etc. die positief geknipt werden dus in papier aanwezig waren.
De gewoonte om de ramen te versieren met papieren gordijntjes heeft lange tijd voortgeduurd, de variatie in motieven bleef, maar de rangschikking onderging een verandering omdat de papierknippers meer technisch onderlegd werden. Deze verbetering in techniek, zowel in vouwen als in knippen langs een vouwlijn vormde de basis van het kleurrijke ‘wycinanki’ dat later ontstond en waar we meer vertrouwd mee zijn.
Tegenwoordig zijn papieren gordijntjes iets uit het verleden, hoewel zij nog steeds in de ‘skansen’, de openluchtmusea in Polen, de ramen van de boerenhuisjes opluisteren. Het is altijd weer een prachtig gezicht de patronen van de gordijntjes door de zon op het meubilair en de vloer van de huisjes te zien.
Aan het eind van dit artikel laten patronen voor gordijntjes zien die gekopieerd zijn uit een Pools boek uitgegeven in 1924. Het is zeldzaam om deze voorbeelden te vinden.
Het afgebeelde knipwerk:
Titelknipwerk: Halina Oledzka, ‘Z Badan nad Wycinanka Kurpioska, Polish Sztuka Ludowa
Papiergordijn in een Pools openluchtmuseum
1, 4 en 5: Alexander Blachowski, Polska Wycinankow, Ludowa
2 en 3: Halina Oledzka, ‘Z Badan nad Polska Wycinanka Kurpiosa, Polish Sztuka Ludowa
6: Josef Grabowski, Wycinanka Ludowa
Bibliografie
Blachowski, Alexander, Polska VVycinankow Ludowa, Torun, Muzeum Etnograficzne w Torunu, 1986
Grabowski, Jozef, Wycinanka Ludowa, Warszawa, Wydawnictwo ‘Sztuka’, 1955
Oledzka, Halina, ‘Z Badan nad Wycinanka Kurpioska’, Polish Sztuka Ludowa, 1964m no. 3, pp 159‑178
Potlitcht, Henryk, Methodyczna Nauczanie Wycinanki, Krakow, Drukarnia Polska Francsiska, Zemanka w Krakowie, 1924
Samsel, Maria, Wycinanka Kurpiowska, Ostroleka, Muzeum Okregowe w Ostrolece, 1988
Voorgaande tekst is een vertaling door Joke Verhave van een artikel uit: FirstCut, het blad van het gilde van Amerikaanse papierknippers, vol 21, nr 1, op verzoek van de redactie van de Knip‑Pers.
In de Knip‑Pers aug 2004 hebben we een verhaaltje geschreven over knipwerk in het huishouden. De oude PooIse gordijntjes zijn hier ingewikkelde voorlopers van. Ook onze klokkenkleedjes (Jeanette Pasterkamp heeft hierover geschreven en onze leden gestimuleerd tot het maken ervan.), zitten in deze hoek van het knipwerk.
Joke en Jan Peter Verhave
Noot redactie:
Dank aan Susan Trockmorton (auteur) en redactie van FirstCut voor toestemming tot gebruik in de Knip‑Pers 2006-3
door Jeannet Pasterkamp
Voor een knipsel heb je in principe niet meer nodig dan schaar en papier.
Een schaar is een interessant stuk gereedschap dat in de loop der tijd een gedaanteverwisseling heeft ondergaan. Wij pakken een mes of een schaar en denken er verder niet bij na, maar aan onze ‘moderne’ schaar liggen twee ingenieuze uitvindingen ten grondslag.
Een scherp bot, een geslepen steen, je kon er mee snijden. Een mes van metaal was al een hele vooruitgang. Maar wie zou er bedacht hebben, dat een mes van twee kanten kon snijden? Die uitvinding is al heel lang geleden gedaan. De eerste scharen zijn opgegraven in het oude Egypte, ca. 300 voor Chr. Het zijn zgn. knijpscharen. Ze zijn heel eenvoudig en bestaan uit één stuk. Het is een cirkelvormige greep met twee spits toelopende bladen die langs elkaar heen snijden. Door in de greep te knijpen, kan men knippen.
Via de Romeinen is dit soort schaar in Nederland terechtgekomen. In de buurt van Nijmegen, waar een groot Romeins garnizoen was, zijn veel scharen opgegraven. Ze dateren uit de eerste eeuw van onze jaartelling. Ze zijn nog steeds heel eenvoudig, maar er zijn ook luxe exemplaren bekend die op een toilettafel van hooggeplaatste personen thuishoorden. Eenvoudige scharen werden in Nederland gemaakt; ze werden gebruikt door kappers en kleermakers. De luxe exemplaren zijn vanuit Italië, Gallië en het Rijnland (Keulen) ingevoerd. In Dorestad (Wijk bij Duurstede) is een oude schaar gevonden uit ca. 500 na Chr.
Hierna is het lang stil geweest. Scharen waren nog altijd een schaars artikel. Pas in de middeleeuwen kwam de productie goed op gang. Ze werden door smeden met grote vakbekwaamheid op een eenvoudig smidsvuur gemaakt. De oudste ijzeren knijpschaar die ooit in de omgeving van Amsterdam is opgegraven, werd aangetroffen in de lemen vloer van een terphuis in Oud‑Diemen, daterend uit de periode 1110‑1120.
De scharen waren nog steeds heel eenvoudig, met lange, spitse bladen. Maar daar kwam verandering in. Waar de greep overging in het snijblad, werd de schaar versierd met een of meerdere knoppen. Deze versiering sloot aan bij de vormentaal uit die tijd. De versieringselementen, met name een klaverblad of driepas, zijn ook bij Gotische kerkramen uit die periode te zien. Bij andere scharen werd de greep heel kunstig versierd. Ook de bladen van de schaar veranderden; ze werden korter en breder. Soms is hierop het merkteken van de smid te ontdekken. De scharen werden vaak bewaard in een leren hoes.
In de late middeleeuwen waren er behalve bij kleermakers ook al in gewone huishoudens scharen. Hij werd door de huisvrouw met een koord aan de gordel gedragen, samen met bijv. ander naaigerei en een sleutelbos. Zo had men de schaar altijd bij de hand en kon hij niet zoek raken.
Een heel nieuwe ontwikkeling waren de scharnierscharen. Ze kwamen waarschijnlijk uit Byzantium of de Islamitische wereld. In de Romeinse wereld zijn ze bekend in de eerste eeuw na Christus. De uitvinding ervan wordt (o.a. op internet) ook wel aan Leonardo da Vinci (1452‑1519) toegeschreven, maar omdat er veel oudere scharnierscharen zijn opgegraven, kan deze bewering niet kloppen!
De oudste ijzeren scharnierschaar die in Amsterdam opgegraven is, dateert uit de periode 1450‑1500. In de zestiende eeuw werden beide soorten naast elkaar gebruikt, zoals te zien is op oude schilderijen, maar langzamerhand werden door de deftige burgerij bij naaien en borduren liever scharnierscharen gebruikt. Ze knipten plezieriger. Ook kwam er in steeds meer huishoudens een schaar. Dit is een gevolg van de industriële ontwikkeling, waardoor scharen als massaproduct gemaakt konden worden. Langzamerhand verdween de knijpschaar uit de huishouding.
Knijpscharen werden nog wel gebruikt als groot gereedschap voor bijv. schaapscheren. Toch werd dit type grote schaar ook nog voor fijne doeleinden gebruikt, bijv. door papierknippers in Polen.

Er zijn in de zestiende en zeventiende eeuw in ons land schitterende knipsels gemaakt. Hoewel het woord knipsel anders doet vermoeden, werden ze niet alleen geknipt, maar ook gesneden. Dat ze tegenwoordig in Nederland meestal geknipt worden, zal ongetwijfeld aan de hoge kwaliteit van de scharen liggen.
Evert Root (1896‑1978), de bekende knipkunstenaar uit Amsterdam, heeft een knipsel gemaakt van zijn begrafenis. Hij wilde graag een schaar mee in zijn kist. Hij zei hierover: “Dan kan ik, als ik boven kom, direct op Petrus afgaan en zeggen: ‘Hé Petrus, kom es effies hier.’ Dat wordt dan meteen het mooiste portret.” In werkelijkheid is er geen schaar met hem mee gegaan. Zijn scharen zijn, met een deel van zijn knipsels, in het Openluchtmuseum in Arnhem terecht gekomen. Daar waren ze afgelopen zomer [2006] te zien in de vitrine-expositie.
Tegenwoordig worden er weer nieuwe knijpscharen naar oud model gemaakt. Veel mensen die in historische toneelgroepen meespelen, hebben zo’n schaar aan hun gordel hangen. Niet alleen voor de show, je kunt ze ook echt gebruiken, net als vroeger.
Eeuwenlang is er aan het ontwerp van scharnierscharen niets meer veranderd, maar nu is er een nieuw ontwerp schaar, een combinatie van een knijp- en een scharnierschaartje. Het lijkt wel iets op een pincet. Je kunt er heel fijn mee knippen. Het is even wennen, maar het werkt prettig. Voor mensen met reuma is het een uitkomst. Want we willen toch allemaal graag blijven knippen.
Nawoord
Voor de samenstelling van dit artikel ben ik o.a. in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden geweest. De algemene kennis over scharen heb ik gekregen bij het Bureau Monumenten & Archeologie – afdeling Archeologie, waar ik de scharen uit de collectie van het Amsterdams Historisch Museum mocht bekijken. Dit was een bijzondere belevenis. Daarom wil ik de heer Wiard Krook graag bedanken voor zijn hulp en medewerking.
Foto’s:
Foto’s
Nrs. 2 t/m 7 Collectie: Amsterdams Historisch Museum / Bureau Monumenten & Archeologie – afdeling Archeologie. Onder de bijbehorende nummers zijn de scharen opgeslagen en gedocumenteerd.
Foto’s waar geen naam bij staat, zijn genomen door J. Pasterkamp.
Geraadpleegde literatuur:
Dit artikel verscheen in Knip-Pers 2006-4.