Auteursarchief: admin

De Kerstboom als omlijsting

Door Rieny van Beek

Wanneer er uit een dubbelgevouwen stukje papier een kerstboom wordt geknipt (1), ontstaat er een positief beeld (2) en een negatief beeld (3).

Als de kerstboom als omlijsting moet dienen, gebruik dan steeds het negatieve beeld.

Neem een stukje papier van 8 x 12 cm. Vouw dit in de lengte dubbel, zodat het 4 x 12 cm wordt. Teken tegen de vouw een halve kerstboom, teken in de kerstboom tegen de vouw een halve voorstelling, zoals een kaars, kandelaar (4), kerstklok (5) of ster. Zorg er wel voor dat de voorstelling aan de kerstboom vast zit.
Knip nu in één beweging de kerstboom en aansluitend de voorstelling uit. Als het papier opengevouwen wordt is de kerstboom weggeknipt, negatief beeld, en de voorstelling staat in de boom, positief beeld. Maak enkele versieringen in de voorstelling.
Het is een leuk idee om achter het zwarte papier een stukje groen origamipapier te plakken in een effen tint of in aflopende tinten.

In het negatieve beeld van de kerstboom kunnen ook silhouetjes geknipt worden. Dit gaat als volgt:
Knip uit een dubbel gevouwen stukje papier de halve omtrek van de kerstboom. Begin boven aan en knip de onderrand NIET. Vouw het papier open en teken en/of knip in de kerstboom twee silhouetjes. De kerstboom valt weg en de figuurtjes staan voor een verlichte kerstboom.

Veel succes en goede feestdagen.

Deze tip verscheen eerder in Knip-ers 1992-4.
De illustraties bij de Knip-Tip zijn van Rieny van Beek.

Prikwerk in het knipkunstmuseum, deel 5, slot

door Atty Broer

Zoals ik in de vorige Nieuwsbrief al schreef waren Leendert Hendrik Viruly en zijn vrouw, Annette Bartholine Christine van Pelt, beide afkomstig uit een gegoede familie. Annette werd op 16 oktober 1803 in Schiedam geboren als oudste kind van Martinus van Pelt en Maria Christina Loncq. Haar vader was brandewijnstoker in die stad. Het ging hem klaarblijkelijk voor de wind, want toen zijn vrouw in 1840 overleed en hij eigenaar werd van hun gezamenlijk bezit, bleek dat onder andere te bestaan uit de volgende onroerende goederen: vijf huizen met bijgebouwen en erven, vier branderijen met bijgebouwen en erven, twee pakhuizen, een aandeel in drie windkoornmolens en een aandeel in scheepstimmerwerf “De Nijverheid”, gelegen aan de Buitenhaven in Schiedam. Aan roerende goederen en geld ontbrak het de familie evenmin.

Leendert was het achtste kind uit het gezin van Jan Dionijs Viruly en Helena Hendrika Beumer. Hij werd op 2 maart 1800 geboren op de buitenplaats ‘s Gravenmade, gelegen in de gemeente Rijswijk. Hij was een telg uit het omvangrijke patriciërsgeslacht Vinily waartoe ook de latere vliegenier/schrijver Adriaan Viruly behoorde. Zijn vader was koopman, hij handelde onder andere in land. Het familiewapen van de Viruly’s wordt in het Nederlands Patriciaat 1933/34 als volgt beschreven: “In blauw een gouden dwarsbalk, vergezeld van drie omgekeerde hoefijzers, tusschen de twee hoefijzers een zilveren komeet. Helmteeken: een blauwgouden vlucht, waartusschen een hoefijzer van het schild. Dekkleeden: goud en blauw”.

Leendert vestigde zich op 18-jarige leeftijd in Schiedam in de wijk A nr. 154, in het bevolkingsregister staat dat hij landeigenaar is. Twee jaar later wordt in de huwelijksakte (1 december 1820, akte 77) vermeld dat hij koopman en koornwijnstoker is. Het jonge echtpaar bleef in Schiedam wonen tot 1842, steeds op hetzelfde adres. Op 20 juni 1842 verhuisden ze naar Delft waar ze de rest van hun leven bleven wonen in wijk 6, nr. 121 in een huis dat ze van Leenderts broer Pieter gekocht hadden. Hun huwelijk bleef kinderloos.

Dat ze in hun lange huwelijksleven maar op twee adressen in de bevolkingsregisters voorkomen wil niet zeggen, dat ze daar ook daadwerkelijk het hele jaar woonden. We zagen al dat Leendert landeigenaar en koopman was, koornwijnstoker wordt hij al leen in de huwelijksakte genoemd. Ook later is er nooit meer sprake van activiteiten in die branche. Nee, hij legde zich helemaal toe op de handel in land en huizen in het gebied tussen Schiedam, Schipluiden, Rijswijk en Delft, Midden Delfland dus. Daar bezat hij verschillende buitenplaatsen waar hij soms langere tijd woonde net zoals de rijke kooplieden uit Amsterdam in de 17de en 18de eeuw ‘s zomers op hun buitenplaatsen aan de Vecht of in het Gooi verbleven. Deze veronderstelling baseer ik op notariële akten waarin hij nogal eens Rijswijk, ‘s Gravenmade of Sion als woonplaats opgeeft, terwijl hij niet in het bevolkingsregister van Rijswijk voorkomt.

De gemeentearchivaris van Rijswijk vertelde me dat welgestelde mensen -en de Viruly’s waren de rijkste men sen die Rijswijk ooit binnen de grenzen gehad heeft, in 1850 hoorde hij al bij de tien hoogst aangeslagenen in de directe belastingen- het ook niet altijd meldden als ze verhuisden, die overheidsbemoeienis vonden ze beneden hun stand. Het landgoed ‘s Gravenmade was al sinds 1791 familiebezit, het bestond uit een herenhuis en een boerderij. Leendert was er in 1800 geboren en een jongere en oudere zuster eveneens. In 1792 kocht zijn vader ook het ernaast gelegen en veel grotere Oversteen waar de familie toen ging wonen en ‘s Gravenmade verhuurde aan de burgemeester van Den Haag. Het huidige ‘s Gravenmade is een van de weinige buitenplaatsen die nog in de gemeente Rijswijk overgebleven zijn.

De boerderij is er niet meer. In de 18de eeuw behoorden vijftig tot zestig buitenplaatsen tot de gemeente Rijswijk. De meeste zijn verloren gegaan, het enige wat soms rest is een bruggetje, een hek, een gevelsteen, een park of soortgelijke bouwkundige of natuurmonumenten.

Tussen 1850 en 1861 hebben de Viruly’s enige tijd op Sion gewoond, het tot woonhuis verbouwde koetshuis van de voormalige grote buitenplaats Sion. Het dankte zijn naam aan een klooster dat tot 1572 op die plaats gestaan bad. Omstreeks 1800 werd het afgebroken en werd de grond als tuinbouwgrond in gebruik genomen.

Alleen de toegangsbrug met hekken (1680) en de naam Sionsweg herinneren nog aan een groot verleden. Een bijzondere betekenis had het landgoed Keenenburg voor Viruly. Daar ontleende hij namelijk zijn titel “Heer van Keenenburg” aan, die ik voor het eerst in een notariële akte van 3 juni 1841 aantrof. Keenenburg was al in de Middeleeuwen bekend.

Het werd voor het eerst genoemd in 1046 toen de Hollandse graaf Dirk (de Derde?) een aanval van de Duitse keizer Hendrik III wist af te slaan door de omgeving onder water te zetten en Keenenburg en Vlaardingen veroverde. Het kasteel ging ten onder, maar in 1409 werd een nieuw “huis” gebouwd door graaf Willem van Beieren. Na diens dood kregen de Heeren van Keenenburg het in bezit. Toen dit geslacht in 1460 uitstierf kreeg het slot andere eigenaren. Over de ligging van het slot zegt A. J. van der Aa in zijn Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden: “Het slot Keenenburg stond op 2,5 uur Z.O. van ‘s Gravenhage, 1 uur Zuid van Delft, 2 min. O. van Schipluiden aan de Gaag. Het werd aldus genoemd omdat het omtrent den stroom de Keen gebouwd was. Het was een ruim gebouw met ene fraaije steenen poort aan den rijweg en de trekvaart. Het pronkte met eenen zwaren vierkanten toren van een sierlijk maaksel, met vrij hooge, spitse en wel uitgewerkte hangtorens op ieder der vier hoeken. De ruime singels, lanen en boomgaarden, waarmede het slot omringd was, gaven het een trotsch aanzien”. In 1798 werd het afgebroken, maar de naam van de heerlijkheid leefde voort en werd gegeven aan de hofstede die op de plaats van het slot gebouwd werd. Deze hoeve kwam in het bezit van Viruly en hij ging zich Heer van Keenenburg noemen. In 1839 kocht hij een dubbele bank van een zekere Vrouwe Hermina van Lockhorst van Tol van Veenhuyzen die deze bank in 1808 van de kerkmeesters van de Hervormde Kerk gekocht had en die afkomstig was van huize Keenenburg. In 1871 kopen de kerkmeesters hem weer terug (Ons Voorgeslacht, jrg. 20, 1965, nrs. 129-139). Waarschijnlijk voegde Viruly na de aankoop van Keenenburg het wapen van de Ridder Hofstad Keenenburg aan zijn familiewapen toe. Dat wapen, “een schild van zilver beladen met drie blaauwe Leliën geplaatst 2 en 1”, is op 14 juli 1819 door de Hooge Raad van Adel bevestigd. Het is als hartschild in het midden van de blauwe dwarsbalk in Viruly’s wapen opgenomen.

Het is onder andere te zien in een van de ingemetselde reliëfs boven de toegangspoort van het Hoogheemraadschap Delfland in Delft, die herinneren aan een aantal bekende. hoogheemraden uit het verleden. Zo komen we op de functie die Viruly jarenlang in het Hoogheemraadschap had. Van 1838 tot 1853 was hij hoofdingeland van het Hoogheemraadschap Delfland en van 1854 tot 1868 was hij hoogheemraad, d.w.z. dat hij deel uitmaakte van het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap. Voor hem hadden zijn vader en een oudere broer en na hem een neef ook zulke functies bekleed. Dergelijke functies waren altijd voorbehouden aan invloedrijke grootgrondbezitters en gingen van vader op zoon of een ander familielid over. Dat Viruly rond 1840 al lang grootgrondbezitter was blijkt onder andere uit een lange lijst van vergunningen die hij aanvraagt om werkzaamheden aan zijn bezittingen te verrichten. In een Supplement Inventaris van het Oud-Archief van het Hoogheemraadschap van Delfland (1853-1857) vond ik er maar liefst 24. Het betrof bijvoorbeeld: het planten of juist verwijderen van bomen op een kade, het verleggen van een zandpad van het dorp Schipluiden naar de Zouteveenscheweg, het vernieuwen van duikers, het repareren of vernieuwen van dammen, het vernieuwen van hekken, enz.
Viruly’s eerste aankoop was waarschijnlijk die van een aandeel in de “Vriendschap” van stadsarchitect Cornelis van Bol ‘Es. Het betrof “een tuin, koepel, kolfbaan en verder getimmerte, gelegen in Kortland even buiten de Vlaardingse Poort aan de Franckenlandsche Weg te Schiedam, met alle de meubilaire goederen, billard, glaswerk, stoelen, tafels, tuingereedscbappen, enz” (not. akte, 4 december 1823). Hiermee begon een bijna eindeloze reeks van transacties. Uit de omschrijving van de percelen land die hij kocht krijgen we een aardig indruk van de bodemgesteldheid in Midden Delfland omstreeks het midden van de 19de eeuw. Er was nog heel wat moerassig onontgonnen land. Naast percelen weiland, hooiland en hakhout is er in akten ook regelmatig sprake van nog te vervenen land. Hij kocht zulke goedkope perceeltjes soms met de bepaling dat ze verveend opgeleverd moesten worden, de verkoper deed dus het zware werk en mocht dan wel de veenbagger (turf) houden, die overigens niet veel waard was. Zo kwam hij voor een zachte prijs in bezit van bruikbare grond die hij verpachtte of weer van de hand deed. Ook hier dringt zich evenals bij de manier van wonen- in de stad en op buitenplaatsen- een vergelijking op met de 17de eeuwse Amsterdamse kooplieden, die een belangrijke rol speelden bij de droogmaking van de Noord-Hollandse meren.
Behalve met de handel in onroerend goed was Viruly ook actief in de effectenhandel. Een totaal beeld van zijn bezittingen krijgen we uit de memorie van successie (een document waarin aangifte wordt gedaan van de nalatenschap) opgemaakt na zijn dood op 3 april 1881 aangegeven door zijn neef Jan Dionyszoon Viruly. Een greep eruit: 85 vermeldingen van aandelen en/of obligaties van buitenlandse spoorwegmaatschappijen en staten, zoals vier Russische, twee Amerikaanse, twee Nederlandse en een Italiaanse spoorwegmaatschappij; obligaties van staatsleningen van Nederland, Oostenrijk, Spanje, Brazilië, Egypte, Portugal, Turkije en Polen, aan onroerend goed de buitenplaatsen Ons Genoegen, Keenenburg, ‘s Gravenmade en Vredebest, 5 bouwmanswoningen en enkele woonhuizen en een herenhuis in Delft en voorts op tientallen locaties percelen wei- en hooiland, water en hakhout en tuinen. In kunst heeft Viruly blijkbaar geen geld belegd, nergens heb ik iets gevonden daaromtrent en er zijn van hem noch van zijn vrouw afbeeldingen in de vorm van een schilderij, tekening of silhouet bekend. Na aftrek van lasten bleef er aan erfenis een bedrag van f1.231.522 over dat verdeeld werd over een groot aantal (achter)neven en -nichten, maatschappelijke instellingen en de kerk. Zijn huishoudster werd bedacht met een jaargeld tot aan haar dood en voor andere personeelsleden waren er legaten. De juistheid van de opmerking van de gemeentesecretaris dat Viruly tot de rijkste mensen van Rijswijk behoorde is hiermee wel bewaarheid.

Geraadpleegde bronnen:
– Nederlands Patriciaat 1933/34.
– Nederlandsche Wapens van het Rijk de Provinciën en de Gemeenten, voorts de Waterschappen, Heerlijkheden, enz., dl II, beschreven onder toezicht van den Hoogen Raad van Adel.
– Kastelen en Buitenplaatsen, monumenten in Rijswijk, M. Brekelmans, Gemeente Rijswijk 1986.
– Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, A.J. van der Aa.
– Supplement Inventaris van het Oud-Archief van het Hoogheemraadschap van Delfland 1853-1887.
– Index van bestuursleden, secretarissen en fiscale ambtenaren, ca. 1290-heden.
– Kaart van Cruquius (1712).
– Kaart van Floris Balthasars (1611).
– Ons Voorgeslacht, jrg.20, 1965, nrs. 129-139.
– Notariële archieven in de gemeentearchieven van Schiedam, Rijswijk en Delft.
– Memories van Successie, Nationaal Archief Den Haag.

De driemaster

Gerrit Groenewegen

Dit schip lijkt het meest op een zogenaamd koopvaardijfregat, een combinatie van een koopvaardijschip en een oorlogsschip. In het boek “Verscheidene soorten van Hollandse vaartuigen” (uitgegeven eind 18de eeuw en opnieuw uitgegeven in 1967 bij de Europese Bibliotheek in Zwolle) vond ik verschillende afbeeldingen van de hand van Gerrit Groenewegen van zulke schepen. In de 17de en 18de eeuw werden koopvaardijschepen vanwege de kans op ontmoetingen met kapers op de lange, gevaarlijke routes naar Oost- en West-Indië stevig bewapend. Bovendien werden schepen in tijd van oorlog nog al eens als oorlogsschip ingeschakeld.

Gerrit Groenewegen

Ons geprikte schip is een 18de eeuws Hollands schip. Het is omstreeks 1820 gemaakt op papier van de firma C. en D. Blauw, die als watermerk “De Vrijheid” (Pro Patria) gebruikte. Het schip heeft een platte spiegel, alleen van een soort raamwerk voorzien en een galjoen, een verhoogde uitbouw aan de boeg waar als boegbeeld een leeuw prijkt. Het heeft twee dekken en een kampanje, het verhoogde achterdeel van het schip. De dekken zijn aan de zijkanten afgesloten, maar hebben wel geschutsopeningen, evenals de kampanje. Het schip vaart met bolle zeilen voor de wind.
Het werk is met een heel fijn pennetje of naaldje geprikt. De grote vlakken, zoals de zeilen, zijn ingevuld met golvende en rechte lijntjes met prikwerk ertussen. Op soortgelijke wijze is het kabbelende water weergegeven. De omtrek van de romp van het schip is vanaf de achterkant geprikt waardoor het schip als het ware van de achtergrond loskomt. Met verschillende prikpatroontjes zijn de drie kleuren van de Nederlandse vlag aangegeven. Grappig is dat de vlag aan de achtersteven de verkeerde kant op waait, tegen de wind in. Zou hij de goede kant uitwaaien dan zou hij teveel van de zeilen bedekken. Evenals in de Viruly-werken zijn in dit prikwerk een paar foutjes gemaakt. De top van de grote mast en de punt van de boegspriet steken door de omlijsting heen.

Aan het begin van deze serie over het prikwerk in ons museum noemde ik als voorbeeld van modem prikwerk onder andere de mapjes met voorbeelden om kaarten te maken, die onder de benamingen “ornare” en “perfomare” worden verkocht. Maar er wordt ook nog naar eigen ontwerp geprikt. Zo kwam het museum enkele jaren geleden in het bezit van drie leuke geprikte tafereeltjes gemaakt door mevrouw Jannie Rip, waaronder een klein jongetje zittend in het gras. In de kleding van het kind en in de bloemblaadjes is reliëf aangebracht en ze heeft losse bloemetjes, vogeltjes en een vlindertje er op geplakt. Verder zien we prikwerk ook toegepast in oud en modem knip-en snijwerk, bijvoorbeeld om grotere vlakken in te vullen of om het geheel te verstevigen. In het museum zien we dat bijvoorbeeld in de huwelijksstukken van Gerrit Schaafsma en Petronella Wassenaar (ca. 1845) en Ockert/Bredehoff (1727).

Ik denk dat deze kunstvorm niet snel zal verdwijnen, creatieve mensen zullen er altijd zijn en papier, schaar, mesje en prikpen liggen binnen ieders bereik. En dat er met zulk eenvoudig materiaal veel moois gemaakt kan worden heb ik geprobeerd u in mijn vervolgverhaal te laten zien.

Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief van het Museum voor Papierknipkunst en Stichting W. Tj. Lever, 2004-1.

Kerstkniptip

Door Rieny van Beek

Een kerstsymbool bij uitstek is de kerstster. Bij het knippen van sterren is het belangrijk hoe het papier wordt gevouwen. De 4-punt, 8-punt en 16-punt worden op dezelfde manier gevouwen. Neem een vierkant stukje papier. Vouw dit drie keer volgens de tekening. Denk erom bij de derde keer, dat de dichte kant tegen de dichte kant komt.

Van het gevouwen stukje papier wordt nu iets afgeknipt van de open kant. Voor een 4-punt volgens een rechte lijn. Voor een 8-punt een V eruit knippen en voor een 16-punt een W eruit. Zie tekening. Het gearceerde gedeelte wegknippen.

Daarna kunnen in het overgebleven deel versieringen aangebracht worden, door vanuit de vouw stukjes weg te knippen (net als bij kleedjesknippen).

Plak een gouden of zilveren ster op een rode of groene kaart, en een rode ster op een witte kaart. Een leuk effect geeft het om onder een rode uitgewerkte ster een gouden of zilveren te plakken die net iets groter is. Smeer de kaart helemaal in met behangplaksel, leg de ster erop en vloei af met een kladblaadje of keukenrol. Is de kaart droog, dan een nacht onder een stapel boeken leggen om kromtrekken te voorkomen.

Sterren kunnen ook geknipt worden van zilverkleurig of tweekleurig aluminiumfolie en met een paperclip aan de punt in de kerstboom opgehangen worden. Een kerstlint is te maken door enkele sterren, bijvoorbeeld witte, op een rood lint te bevestigen door middel van een splitpen in het midden. Het maken van een adventstak is ook een mogelijkheid. Dit is een idee van Atie Willemse. Begin ermee op de eerste adventszondag. Knip voor elke dag een ster en hang deze in een flinke sparrentak. Hang de sterren zó, dat er na vier adventsweken vier sterrenbanen schuin naar boven lopen. Deze vier banen eindigen in één grote ster, de kerstster, die eerste kerstdag wordt opgehangen.

Een paar voorbeelden om kaarsen te knippen:


Begin bij een dubbel gevouwen stukje papier vanuit de vouw te knippen. Eerst de kleine versieringen uit het grotere motief knippen, daarna het grote motief zelf, ook weer vanuit de vouw, en als laatste de buitenrand.

Deze tip is eerder gepubliceerd in Knip-Pers 1987-4

Kerst-lantaarntje

In het Knipselmuseum Westerbork leerde Wil Schenkel van een bezoeker een envelop-truuk met geknipt zwaantje, Speciaal voor mijn kerstcursus maakte ik daarop de variant met geknipte kaarsjes:

  1. Neem een blanco envelop Plak haar dicht Vouw dubbel (1)
  2. Neem een stevige schaar Knip (of teken eerst) in de zijkant van boven naar beneden een halve kaars en knip weer terug naar boven een half ovaal (2)
  3. Doe ook zo aan de andere vouwkant (3)

Knip tot slot van boven- en onderkant van de envelop 2 mm af. Vouw open en plaats een waxinelichtje of korte kaars in het midden Zo maak je een gezellige kersttafelverlichting

Door Maruscha Gaasenbeek
Dese tip verscheen eerder in Knip-Pers 1994-4

De symboliek van de kleuren

Nu …. en dan

Nu is hier alles nog zwart:
oorlog en honger en dood,
ziekten, gebrek, hongersnood,
pijn in je lichaam, je hart.

Nu is hier alles nog rood:
haat en verdwazing en bloed,
vuur, dat verterende woedt,
seinlicht, dat staat op de dood.

Zwarter dan ‘t donkerste zwart
was Christus’ lijden en dood,
‘t Bloed, dat ons reinigt, is rood,
Rood is het vuur van Gods hart

Daarom wordt alles eens wit:
zonlicht op alles wat leeft,
bruidskleed, dat God voor ons weeft,
hemel neemt aarde in bezit!

Uit: Een boom in de wind, Nel Benschop

Christelijke kleurensymboliek

In de christelijke traditie spelen kleuren een belangrijke rol. Omstreeks 1200 werden door paus Innocentius III de kleuren vastgelegd voor de kerkelijke feestdagen en gewaden van de priesters. In de Missale Romanum uit 1570 zijn deze bepalingen uitgewerkt. Door de de betekenis van de kleuren te kennen, was het voor de gelovigen gemakkelijker om Jezus, Maria en sommige heiligen te herkennen Ook konden begrippen als liefde, lijden of heiligheid beter worden uitgedrukt. Kleur hielp om afbeeldingen op muurschilderingen, schilderijen, gebrandschilderde ramen, iconen of mozaïeken beter te begrijpen. In de katholieke kerken worden deze kleuren algemeen gebruikt, bij protestantse kerken zijn ze aanbevolen. De oosterse kerken gebruiken deze liturgische kleuren niet. Bij het maken van een knipsel in kleur voor een liturgie of een bijzondere dag Kan met de betekenis van de kleuren rekening worden gehouden

Betekenis van de kleuren

Wit is de kleur van het feest, de vreugde, de waarheid en de reinheid Het is de kleur van de ongerepte en zuivere sneeuw, de kleur van witgewassen gewaden De Heilige Geest wordt als een witte duif voorgesteld. Religieuzen dragen vaak een wit onderkleed. De albe van priester is een wit miskleed of koorhemd, dat hij onder zijn kazuifel in de te liturgisch voorgeschreven kleur draagt. De witte toga van de Paus symboliseert de hemelse heerlijkheid. In de eerste eeuwen van het christendom werden volwassenen, die tot het geloof gekomen waren in de Paasnacht gedoopt Zij droegen dan een wit kleed, dat de zondag na Pasen werd afgelegd. Het is de kleur voor grote feesten zoals Kerstmis, Epifanie (de verschijning van de Heer), Pasen en Paastijd en Hemelvaart. Wit wordt ook gebruikt bij het huwelijk, feestdagen van heiligen en de doop Het water van de doop is een beeld van reiniging en leven. Soms is Wit de kleur bij een uitvaart.

Zilver betekent reinheid en zuiverheid en kan wit vervangen.
Geel is de kleur van de zon en verwijst naar licht, luister en glorie. In Portugal wordt in plaats van wit vaak geel gebruikt bij kerkelijke feesten. Maar ook Judas wordt met de gele kleur afgebeeld, het betekent dan afgunst en verraad.
Goud is de kleur van goddelijkheid en rijkdom, symbool voor het hemelse licht en voor de volmaaktheid. Heiligen hebben op afbeeldingen vaak een goudkleurige stralenkrans, aureool of nimbus rond hun hoofd. Ikonen hebben vaak een gouden achtergrond.
Rood is de kleur van het vuur en ver wijst naar.de brandende liefde en de Heilige Geest. Als kleur van de Geest wordt rood gebruikt op het Pinksterfeest maar ook bij gelegenheden waarbij de Geest een belangrijke plaats inneemt, zoals het vormsel, het doen van belijdenis en de bevestiging van ambtsdragers. Bij een huwelijksinzegening verwijst de kleur naar de liefde. Rood is ook de kleur van het offerbloed van Christus en de martelaren en wijst zo op het lijden en op de liefde, die zichzelf offert, daarom is rood ook een goede kleur voor Palmzondag, Goede Vrijdag en de dagen waarop martelaren herdacht worden. Rood is ook de kleur van duivel en hel. Op afbeeldingen van de opgestane Heer komt rood voor als teken van de zegevierende liefde van God en Christus.
Groen is de kleur van de natuur, van het nieuwe blad in de lente en van het jonge gras. Het betekent dan ook hoop, groei, leven en toekomst. In de bijbel wordt God vergeleken met een altijd groene cypres, een gezalfde wordt een groene olijfboom genoemd. Wanneer het kruis groen wordt afgebeeld verwijst het naar de opstanding en nieuw leven. De zondagen, die buiten de advent, Kersttijd, veertigdagentijd, Paastijd en Pïnksteren vallen hebben de liturgische kleur groen, het zijn 33 of 34 zondagen.
Blauw is de kleur van de hemel en bete kent daarom goddelijkheid en oneindigheid. Jezus wordt vaak in een blauw gewaad afgebeeld. Blauw is een echte Maria kleur en verwijst naar onschuld. Samen met wit is blauw de kleur voor de Mariafeesten. Blauw is ook de kleur van de trouw.
Paars is de kleur van rouw, boete en ingetogenheid en daarom in gebruik gedurende de tijd voor Kerstmis: de adventstijd, en de tijd voor Pasen: de veertigdagentijd of lijdenstijd. Soms wordt paars gebruikt bij een begrafenis.
Roze betekent het licht dat doorbreekt, het is de liturgische kleur op de derde zondag van advent en de vierde zondag van de veertigdagentijd. Op deze zondagen breekt het licht van het komende feest door en verandert het paars in roze.
Purper is de kleur van de mantels van de koningen in de bijbel en van pausen en bisschoppen. Het betekent gezag en koninklijkheid. Het was een kostbare kleur, die vroeger bereid werd uit een kleurstof afkomstig van purperslakken. Volgens het boek Exodus, moesten de Joden stof van deze kleur gebruiken bij de vervaardiging van priestergewaden en de aankleding van de tabernakel.
Bruin is de kleur van de aarde, de herfst en de droefenis, en betekent ar moede en nederigheid. De broeders en zusters van Franciscus en Clara van Assissi dragen vaak bruine habijten.
Grijs is een kleur, die door veel religieuzen gedragen wordt en betekent wereldverzaking.
Zwart is de kleur van de duisternis, de diepste rouw en wereldverzaking. Veel religieuzen dragen een zwart bovenkleed als teken van wereldverzaking en nederigheid. Zwart wordt soms als liturgische kleur gebruikt op Goede Vrijdag. Het zwart van de rouw en boete belooft de komende opstanding en wordt van grijs tot wit Zwart is ook de kleur van een begrafenis.

Kleurensymboliek in de volkscultuur

De volksmond heeft zijn eigen kleurensymboliek:
Groen is de kleur van de hoop, maar er is ook gifgroen.
Blauw betekent trouw, maar het is ook een koele kleur.
Helder geel is het symbool van afgunst, jaloezie en nijd en is afgeleid van ‘gele gal’.
Goudgeel heeft de gloed van wijsheid.
Rood is de kleur van de liefde, wat vooral tot uitdrukking ;komt in rode rozen. Rood is ook de kleur van de woede, ‘rood aanlopen’, en gevaar.
Wit is de kleur van de onschuld, maar ook spoken zijn wit: ‘witte wieven’.
Zwart is de kleur van de dood en het onheil, pas op voor ongeluk als een zwarte kat je weg kruist.

Kleurensymboliek in de heraldiek

De kleuren in de wapenkunde hangen samen met de planeten. In 1688 beschreef Böckler de volgende betekenissen van de kleuren:
Geel en Goud staan voor de zon, en de betekenis is deugd, verstand., aanzien en hoogheid.
Wit en Zilver staan voor de maan en zij wijzen naar reinheid, onschuld en vreugde.
Rood en IJzer zijn voor Mars,, zij betekenen brandende begeerte en een godvrezend hart dat bereid s voor het Woord van God zijn bloed te vergieten.
Blauw en Tin staan voor Jupiter en de betekenis is standvastigheid, trouw, wetenschap en innige devotie tot God, Zwart en Lood zijn voor Saturnus, zij betekenen treurigheid, deemoed, ongeluk en gevaar.
Groen en Koper taan Venus, de betekenis is vrijheid, schoonheid, vrolijkheid, gezondheid, hoop en mildheid.
Purper en Violet zijn koninklijke kleuren.
Oranje wijst naar onbestendigheid en eigen roem.

Gelezen:
Symbolische bloemsierkunst, Ad van Uffelen
Prisma van de symbolen, Hans Biedermann.

Illustraties:
1. Geloof, hoop en liefde
Het kruis is een symbool voor het geloof. De hoop is een anker, veilig en vast. De liefde tot God komt uit ons hart. De korenaren en druiven trossen verwijzen naar brood en wijn van het Heilig Avondmaal.
2. Bevestiging van een ambtsdrager
De driehoekige vorm verwijst naar de drie-enige God. De bijbel, het woord van God staat centraal. De klokjes bloemen verwijzen naar het geroepen worden tot het ambt. De tulpen, die met hun open hart naar de hemel staan zijn een symbool voor het gebed.
3. Belijdenis
De belijdenis is een bevestiging in het geloof, daarbij staat de bijbel centraal. Om de bijbel goed te kunnen begrijpen is verlichting door de Heilige Geest nodig. Het sacrament van het Heilig Avondmaal versterkt het geloof.
4. Bijbellezing
Om de bijbel te kunnen begrijpen bid den we om verlichting met de Heilige Geest, zodat Gods Woord een lamp voor onze voet en een licht op ons ad wordt De neerdalende duif is het symbool voor de Heilige Geest. De tulp betekent gebed.
5. Doop
Er wordt gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Bij de doop wordt de naam van de dopeling verbonden met de naam van de drie-enige God. De drie-eenheid is uitgebeeld door het driekleurig viooltje. Het water van de doop verwijst naar reiniging en nieuw leven.

Door Rieny van Beek
Dit artikel verscheen eerder in de Knip-Pers 1994-4

Christelijke symboliek van de Bloemen III

Door Rieny van Beek

In de tijd dat de vroeg-Christelijke kunst ontstond, konden de gewone mensen niet lezen en schrijven. Kennisoverdracht vond plaats door middel van vertellingen of door schilderingen. In de oud-Christelijke kerken zijn daarom veel muurschilderingen aangebracht, er hangen schilderijen en tapisserieën of er staan prachtige altaarstukken. Op deze schilderingen staan vaak passages uit de Bijbel, voorstellingen van Heiligen, Maria met het kindje Jezus of andere religieuze afbeeldingen.Ook de Heiligenbeelden spraken de mensen in die tijd erg aan. Behalve personen, die het belangrijkste op dergelijke voorstellingen waren, stonden er ook veel attributen op met symbolische betekenis. Vaak moet je zoeken naar deze symbolen omdat ze soms heel klein zijn. De mensen in de Middeleeuwen leefden niet zo jachtig als wij en hadden wel de tijd om alle kleine aanwijzingen op te sporen. Graag wil ik bloemen en planten, die in de vroeg-Christelijke tijd een symbolische betekenis meekregen, beschrijven.

Bloemen en planten met bijbelse naam

Sommige bloemen en planten hebben een Bijbelse naam gekregen omdat ze door hun kleur of vorm aan een persoon of gebeurtenis uit de Bijbel doen denken.
Jacobsladder. De volksnaam van deze plant slaat op de dubbele rij bladeren, die aan een centrale stengel zitten en zo op een ladder lijken. De aartsvader Jacob kreeg een droomvisioen van den ladder die tot de hemel reikte, waar langs de engelen Gods opklommen en neerdaalden als teken van contact tussen God en mens. De Jacobsladder is veel te zien op kribbevoorstellingen, als symbool van de verbinding tussen hemel en aarde.

Johannesbroodboom of Sint Jansbroodboom. De boom dankt zijn naam aan Johhannes de Doper, omdat hij zich met de vruchten van deze boom gevoed zou hebben. De zaden zitten in lange peulen en zijn eetbaar.

Judaspenning. De Judaspenning heeft zilverkleurige zaaddozen, die herinneren aan de dertig zilverlingen die Judas kreeg als loon voor zijn verraad van Jezus. De Judaspenning betekent verraad.

De Tiengebodenplant dankt haar naam aan de tjen opvallende donkere vlekken die zich op de groene bladeren bevinden. De tien vlekken herinneren aan de tien geboden die Mozes op twee stenen tafelen van God ontving op de berg Sinaï.

De Salomonszegel is familie van het Lelietje van Dalen. Het is een bosplant met langwerpig blad en kleine witte klokvormige bloemen, die bijeen aan lange gebogen stengels hangen. Als de stengels afsterven laten ze een litteken na op de wortelstok. Dat litteken lijkt met enige fantasie op een zegel dat vroeger gebruikt werd om belangrijke stukken te waarmerken.

Het Hemelroosje is een rijkbloeiende plant waarvan de bloemen van de blauwe variant aan de hemel doen denken. De Ster van Bethlehem dankt haar naam aan de vele stervormige bloemen, die wit of blauw van kleur zijn.

Het gebroken hartje, ook wel Mariatranen genoemd, is een sierlijke plant met hangende hartvormige bloemen aan gebogen stengels. De rose bloemen lijken op hartjes en de witte stukjes daarin zijn de tranen, die verwijzen naar het verdriet van Maria bij Jezus kruisiging en dood.

Jona’s wonderboom of Ricinus is een bladplant uit tropisch Afrika, met grote esdoornachtige bladeren. Eenmaal gezaaid bereikt deze struik al gauw de hoogte van meer dan een meter en doet dan denken aan de wonderboom die de Heer voor Jona beschikte, zodat hij in de schaduw kon zitten.

De doornen van de Christusdoorn herinneren aan de doornenkroon, die Jezus voor zijn. kruisiging moest dragen. De kleine rode bloempjes doen denken aan zijn bloed.

De Aronskelk heeft een opvallende bloemkolf die in de volksmond wel de Aronsstaf genoemd wordt.

De witgevlekte Mariadistel doet herinneren aan de moedermelk van de Heilige Maagd. De bittersmakende distel is een geneeskrachtige plant en helpt tegen maagkwalen.

Planten genoemd naar kerkelijke personen

Profetenbloem of Arnebia heeft heldere buisvormige bloemen. Iedere bloem heef t vijf ronde paarsgevlekte kroonbladeren, die na verloop van tijd verbleken

De Heiligenbloem of Santolina heeft fijnverdeeld zilverkleurig blad. Tussen het geurend blad verschijnen stralende knopvormige bloemhoofdjes als het aureool rond de heiligen., De astrophytum is een cactus en wordt in Nederland wel Bisschopsmuts genoemd omdat de vorm van de plant lijkt op het hoofddeksel van de bisschop. De Kardinaalshoed is een struik die in de herfst helderrode vruchten krijgt. Als deze vruchten opengaan ziet men de oranjerode zaden, die op het kardinaalshoedje lijken.

De Monnikskap heeft lange aren met, bloemen die op een kapje lijken in de kleuren diepblauw, blauw of paarsblauw.

Er zijn ook planten, die op een bepaalde datum bloeien of in een bepaalde tijd van het jaar thuishoren. In de voorzomer bloeit de lila Pinksterbloem uitbundig in de weilanden of langs de wegen. Hoewel de bloei niet altijd samenvalt met het Pinksterfeest dankt de bloem daar toch haar naam aan. Het Sint Janskruid is een geneeskrachtig kruid dat bloeit op Sint Jan, 24 juni. De symbolische betekenis is heil. De plant zou ontstaan zijn uit het bloed van Johannes, dat bij zijn onthoofding vloeide. Als men jonge bloemknoppen tussen de vingers stuk wrijft, komt er paarsrood sap uit. Als men het blad tegen het licht houdt, ziet men er lichte doorschijnende puntjes in: het blad lijkt doorboord met gaatjes. Dit, zou de duivel gedaan hebben in een poging de heilzame kracht te breken. In de bloemen van het St.Janskruid ziet men zomers kleine glanzende kevers in donkerblauwe, groene en donkerrode kleur. Het zijn de Sint-Janskruidhaantjes, die leven van de bladeren.

Op 25 juli is het de naamdag van Jacobus, dan staat in de duinen het Jacobskruiskruid volop in bloei. De plant bloeit met stralend gele bloemen, die een schermvormige tros vormen. Op het Jacobskruiskruid worden vaak geel met zwarte Zebrarupsen gevonden van de rood met zwarte Jacobsvlinder. Enkele bloemen en planten hebben Kerst voor hun naam. Zo bloeit de Kerstcactus of lidcactus meestal rond de Kerst met karmijnrode bloemen. De Kerstster is een plant met rode, witte of roze schutbladeren, die speciaal voor de Kerst gekweekt wordt. Ook de rode Kersttulp bloeit met Kerst. De Kerstroos is de vroegst bloeiende plant in de tuin. Rond Driekoningen staat ze met witte bloemen vaak in de sneeuw te bloeien.

De Passiebloem bloeit rond Pasen en beeldt het lijden van Christus uit.

Gelezen:
Manfred Lurker, Woordenboek Bijbelse beelden en symbolen.
Hans Biedermann, Prisma van de symbolen.
Aad van Uffelen en Tini Brugge, Symbolische bloemsierkunst.
Dr. P. Zonderwijk, De bonte berm.

Knipsels van Rieny van Beek
Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 1994-3

Prikwerk in het Knipkunstmuseum, deel 4

door Atty Broer

De pendanten
Deze twee stukken behoren tot de mooiste van ons museum. Ze zijn gemaakt ter gelegenheid van het huwelijk van Leendert Hendrik Viruly en Annette Bartholine Christine van Pelt, dat op 1 december 1820 in Schiedam gesloten werd. Ze zijn even groot (ca. 46 x 35 cm) en geprikt in velijnpapier afkomstig van de fa. J.D. Honig, een beroemde papiermaker in de Zaanstreek. Beide prikwerken zijn symmetrisch van opzet, maar de uitwerking is dat niet helemaal. Links en rechts klimmen rozentakken omhoog met fraai gevormde bloemen, knoppen en blaadjes waarin reliëf is aangebracht door van twee kanten te prikken en het papier aan de achterkant op te bollen.

Op het prikwerk voor Annette staan links en rechts aan de onderkant twee olifanten met opgeheven slurf wel beschouwd als symbool van de zachtmoedigheid, omdat het dier nooit met andere dieren vecht, behalve als het zelf aangevallen wordt en het bovendien heel voorzichtig omgaat met jonge en kleinere dieren. De beweeglijkheid van de slurf is met een bandering uitgedrukt. De grote oren en de huidplooien zijn met reliëf aangegeven. De achterlichamen zijn er niet, op de plaats daarvan zitten bloemenranken waarvan de stelen elkaar midden onder naderen waar ze overgaan in een uit kleine blaadjes bestaande cirkel waarin staat “Huwelijksfeest 1820”. Links en rechts zwemt een zwaan met een jong op de rug, symbool voor zuiverheid en gratie. Op het middengedeelte tussen de bloemenranken staan haar namen onder elkaar,

Annette Barte Christe Van Pelt met gekrulde hoofdletters en mooie schrijfletters met dunne ophalen en zware neerhalen waarvan de brede gedeelten met prikjes opgevuld zijn. Het geheel wordt beschenen door een stralende zon.

De opbouw van Leendert Hendriks werk is net als dat van zijn vrouw. Daar zien we dus ook de bloemenranken en de cirkel met “Huwelijksfeest 1820”, maar verder zijn voor hem andere attributen afgebeeld. Zo zien we onderaan links en rechts van de cirkel een hoorn des overvloeds, een anker (belooft houvast en veiligheid), een baal en een vat, kennelijk zaken die bij zijn beroep van “koopman en koornwijnstoker”, zoals in de huwelijksakte vermeld wordt, passen. De maker van het prikwerk wist toen nog niet dat Viruly zich minder zou bezighouden met de handel in stukgoederen dan wel met die in onroerend goed, met name land. Bovenaan in het midden staat een grote schaal op een voet met daarin een fontein, die op twee niveaus haar waterstralen naar alle kanten spuit. In het middengedeelte staan zijn namen onder elkaar.

De maker van beide stukken heeft bijna volmaakt werk afgeleverd. Bijna? Ja, want in beide heeft hij -vast expres- een klein foutje gemaakt. In het stuk voor Annette steekt een van de olifanten zijn slurf door de oranjebruine omlijsting en in dat van haar man is een klein blaadje aan de bovenzijde van het stuk niet ingevuld met prikwerk. Dit sluit aan bij de traditie van het aanbrengen van een fout in een kunstwerk, omdat men niet aan God gelijk is en dus in deze onvolmaakte wereld niet iets volmaakts kan of mag afleveren. Ook nu nog zien we dit toegepast bij bijvoorbeeld quiltwerk, tapijten en mozaïeken. Gezien de kwaliteit van zijn werk moet de maker een ruime ervaring gehad hebben. Helaas kennen wij zijn naam niet en we hebben nog geen ander werk van hem achterhaald. Jammer is ook dat prikwerk niet goed te fotograferen is, zodat we geen afbeelding in de nieuwsbrief kunnen tonen, maar de stukken behoren tot de vaste opstelling van het museum. Dus, wanneer u in Schoonhoven bent, ze zijn altijd te bekijken.

Viruly en zijn vrouw waren allebei afkomstig uit een gegoede koopmansfamilie. In de volgende nieuwsbrief hoop ik daar wat meer over te vertellen. Helaas verloopt het onderzoek naar Viruly’s achtergrond nogal moeizaam, omdat archiefstukken die ik wil raadplegen door gemeentelijke herindeling in midden Delfland van hun oorspronkelijke bewaarplaats (meestal het gemeentehuis) overgebracht zijn naar grotere archieven in de regio. Ook dat behoort bij het doen van onderzoek.

Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief van het Museum voor Papierknipkunst en Stichting W. Tj. Lever, 2003-4.

Prikwerk in het Knipkunstmuseum, deel 3

door Atty Broer

Bloemenvaas
De bloemenvaas is in velijnpapier uit ca. 1808 geprikt. Velijnpapier is handgeschept papier dat geen afdruk van de ketting- en zeeflijnen laat zien. Het werd vervaardigd met een schepraam waarvan de zeef voorzien was van een fijn geweven koperdoek. Zo ontstond een mooie kwaliteit papier die onder andere gebruikt werd voor postpapier en beter drukwerk. Een Grieks aandoende vaas is weelderig opgemaakt met een groot boeket, samengesteld uit allerlei bloemen die in werkelijkheid nooit allemaal tegelijk bloeien, zoals we dat vaker zien op schilderijen. In de 17de eeuw hebben onder meer Jan Breughel de Oude en Ambrosius Bosschaert dergelijke schilderijen gemaakt. Eind 18de en begin 19de eeuw ontstond er klaarblijkelijk opnieuw interesse voor, want in een oude (1976) geïllustreerde catalogus van schilderijen van het Rijksmuseum vond ik er een flink aantal voorbeelden van.

Abraham Bosschaert, collectie Rijksmuseum

Een daarvan (van een anonieme Zeeuwse schilder) zou de maker van ons priksel heel goed als voorbeeld gediend kunnen hebben. De vaas is bijna identiek en de compositie van bloemen komt ook vrijwel overeen. De maker heeft met een heel fijn prikpennetje gewerkt. De hoofdlijnen van vaas, bloemen en blaadjes heeft hij van voor naar achter geprikt en de details van de afzonderlijke bloemblaadjes en de vaas van achter naar voren, zodat enig reliëf is ontstaan. Dat wordt bovendien nog versterkt doordat hij de nerven van de blaadjes en de lijnen van de vaas aan de achterkant met de prikpen “getekend” heeft en gedeelten van bloemen en bladeren met een stomp voorwerpje opgebold heeft. Gezien de kwaliteit van dit prikwerk hield de maker zich vast wel vaker bezig met van deze liefhebberij.

De zandloper
Dit priksel is een zogenaamd vanitaswerk dat ons op symbolische wijze herinnert aan het verstrijken van de tijd en de vergankelijkheid van het leven. Behalve een zandloper zijn een doodshoofd -al of niet met gekruiste beenderen-, een bellenblazend kind, een uitgedoofde kaars, een viool met een gebroken snaar en klokken veel voorkomende symbolen die alle ongeveer dezelfde waarschuwing inhouden: memento mori of gedenk te sterven!

We zien ze onder andere in het herdenkingsknipsel voor Van Speijk en in een interessant knipsel (in de familie bekend als “Vadertje Tijd”) dat museumbezoekers ons onlangs toonden.

Op ons prikwerk staat op de bovenste helft van het blad een zandloper met aan weerszijden een doodshoofd met twee gekruiste beenderen. Aan de onderkant wijzen twee sikkels met de punten naar elkaar. De zandloper is omvat door een open krans van takken waarvan de uiteinden door twee putti gedragen worden. Met hun andere hand houden ze een kroon omhoog. Onder deze krans staat “Geen onderscheit van rang”, dan twee sierlijk gebogen takken en het vervolg van de tekst:

“Regtvaardig is de dood,
Hij ontziet geen graaf,
of koning,
Hij klopt zowel aan
het hof,
Als aan een boerewoning”.

Daaronder zijn weer takken geprikt en de hele voorstelling is met rozen omgeven. Het prikwerk is heel zorgvuldig uitgevoerd, beurtelings van voor naar achter en omgekeerd. Het daardoor ontstane reliëf geeft het geheel een levendige uitstraling. Er is machinaal papier voor gebruikt uit ca. 1850. Zandloper en sikkel zijn symbolen die hun oorsprong vinden in de Griekse mythologie. De god Kronos, de god van de tijd, wordt er meestal mee afgebeeld. Soms heeft de zandloper of Kronos zelf ook nog vleugels om ons eraan te herinneren dat de tijd vliegt. Dat zal velen van ons niet vreemd in de oren klinken. De sikkel herinnert aan de strijd om de wereldmacht die in de Griekse godenwereld in alle hevigheid eeuwenlang gewoed heeft en waarin Kronos zijn vader Uranus ontmande met een sikkel. In het Christendom worden in de late Middeleeuwen de zandloper en de sikkel (zeis) overgenomen als symbolen rond dood en begraven. Tot in de 20ste eeuw zien we ze op grafzerken afgebeeld. Schedels en andere beenderen kwamen daarbij. Omdat deze het laatst vergaan werden ze vroeger bij het ruimen van een graf bewaard in een knekelhuis of ossuarium dat bij elk kerkhof te vinden was. Bij mijn weten bestaan deze gebouwtjes nergens meer in Nederland, maar in het Gelderse dorpje Geesteren zit in de kerk nog een uit het knekelhuis afkomstige steen ingemetseld met het opschrift: “Anno 1633, Tredt hirbi en segget mi wie dat hir bur ofte edelman si” (treed hier binnen en zeg me wie hier boer of edelman is). De maker van ons priksel brengt ruim twee eeuwen later een tekst met een vergelijkbare boodschap in zijn werk aan. En jaren geleden heb ik in Trégastel, een dorp in Bretagne, een halfrond ossuarium gezien dat daar tegen het 13de eeuwse kerkje gebouwd was waar boven de toegangsdeur in het Latijn stond: “Heden ik, morgen gij, voor wie daaraan denkt verliest alles zijn waarde”. Het ossuarium werd niet meer gebruikt, maar de waarschuwing boven de deur is van alle tijden.

Prins Frederik
Een van de grotere prikwerken van ons museum betreft het portret van prins Willem Frederik Karel van Oranje Nassau (1797-1881), de jongere broer van Koning Willem II. Als voorbeeld voor het portret is een gravure van D. Sluyter naar een schilderij van H. Langerveld uit 1817 gebruikt.

[4] Hermanus Langerveld (1777-1830) was portretschilder en kreeg meteen na de benoeming van de prins tot Grootmeester Nationaal van de Orde der Vrijmetselaren in Nederland de opdracht een portret van hem te schilderen. Van 1816 tot zijn dood in 1881 heeft de prins deze functie bekleed. De jonge prins is afgebeeld staande achter een tafel. Hij is gekleed in militair tenue en draagt links op de borst de Militaire Willemsorde. Verder draagt hij de versierselen van de vrijmetselarij die bij zijn functie als grootmeester horen, om zijn hals het cordon met de zon en onderaan het rozenkruisjuweel. Dit juweel bestaat uit een liggende gradenboog waarop een pelikaan staat die zich de borst openpikt om met zijn bloed zijn jongen te voeden (zinnebeeld van de zelfopofferende liefde), er achter staat het kruis waaraan een rozentak ontspringt. Dit beeld is omsloten door benen van een passer waarop een kroon staat. Op latere leeftijd heeft hij dit juweel vervangen door een ander, omdat hij vond dat het teveel nadruk legde op de christelijke thematiek, terwijl godsdienst en levensbeschouwing van de leden juist geen rol mochten spelen bij de vrij metselaars. Op de klep van het schootsvel staat een stralende zon. Op de tafel liggen het boek “Wet en Orde” [5] waarin de regels van de maçonnieke werkwijze vastgelegd zijn (de prikker heeft de titel weggelaten). Op het boek liggen twee gekruiste degens en in zijn hand houdt hij de voorzittershamer. De achtergrond wordt gevormd door een gecannuleerde zuil links en in de rechterbovenhoek hangt een rond gedrapeerd gordijn met franje. Door briefcontact dat Henk van Ark enkele jaren geleden had met het Cultureel Maçonniek Centrum in Den Haag was al bekend dat zich daar een soortgelijk werk bevond, maar door tijdgebrek is het toen niet tot een nauwkeurige vergelijking gekomen. Die heeft pas onlangs plaatsgevonden. Ik ben met ons prikwerk naar Den Haag geweest om de twee stukken te vergelijken en om geïnformeerd te worden over de vrijmetselarij, een voor mij vrijwel onbekend onderwerp (later iets meer hierover). Het blijken vrijwel identieke stukken te zijn die zeker door dezelfde persoon gemaakt zijn. Beide werken zijn met een vrij grove pen geprikt in dezelfde papierkwaliteit. Het papier is naar alle waarschijnlijkheid velijnpapier (zie de bloemenvaas). Dat valt af te leiden uit de beide watermerken. In het Haagse stuk luidt dit, nog nauwelijks leesbaar: B1….v (of u)….Briel(e) en in het Schoonhovense VGS.

Omstreeks 1810 ontstond in de Zaanstreek de kunst van het velijnpapiermaken. Een van de papierfabrikanten die zich daar mee bezig hield in de periode 1775-1835 was de firma Blauw & Briel. Het lijkt niet te gewaagd te veronderstellen dat het Haagse papier daar gemaakt is. Het watermerk VGS in het Schoonhovense papier is waarschijnlijk het merk van de firma Van Gelder Schouten & Comp., eveneens een bedrijf in de Zaanstreek dat velijnpapier maakte. Beide prikwerken zullen in de jaren twintig van de 19de eeuw gemaakt zijn, in ieder geval voor 1830. Op 28 december 1830 werd namelijk het Haagse stuk aangeboden aan de Loge “L’enfant de la Vertue” in Veere door broeder J.L.A. Jacobse, die het in een begeleidende brief “een uitmuntend geprikt werk noemt (Bron: Notulen van de bijeenkomst van de Veerse loge). Na het opheffen van deze loge zijn de bezittingen in het CMC terecht gekomen, maar de betreffende brief is helaas verdwenen.

In het Haagse prikwerk zijn minder details aangebracht dan in het Schoonhovense en het is minder zorgvuldig geprikt. Het gordijn in de rechterbovenhoek is smaller en als rand heeft het een vijfdubbele rij prikjes gekregen, terwijl in het Schoonhovense stuk een bredere rand met een patroontje geprikt is. Bovendien is dat gordijn langer en rijker geplooid. De zuil heeft ook een rijkere versiering gekregen, evenals het tafelkleed. Op beide stukken ontbreekt de titel van het boek en van de versierselen van de vrijmetselarij heeft de prikker helemaal een potje gemaakt. Waarschijnlijk was hij (of zij) niet bekend met de symboliek van de organisatie. Van het rozenkruis is op beide priksels niet meer gemaakt dan een driehoek met een gebogen basis en de zon in het cordon lijkt in het Schoonhovense stuk meer op een bloem en in het Haagse werk meer op een ster. De naam van de prins heeft de maker -geheel afwijkend van de gravure- in schrijfletters weergegeven. Wat het meest opvalt aan beide werken is het is het gebrek aan gelijkenis van het gezicht van de prins op de gravure en dat in de priksels. Beide stukken overziend lijkt het alsof de maker zelf niet helemaal tevreden was met zijn werk en het nog een tweede keer heeft geprobeerd. Het Schoonhovense stuk zou dan het tweede moeten zijn. Het is helemaal voorgetekend en het is veel preciezer geprikt met rijkere versieringen dan het Haagse waarin geen spoor van potloodlijnen te zien is. De eerder genoemde onderlinge verschillen en afwijkingen van de gravure zijn de zelfde. De kwalificatie “uitmuntend geprikt werk” van broeder Jacobse vind ik dan ook rijkelijk overdreven.

Geraadpleegde literatuur:
Christelijke symboliek en iconografie” prof.dr.J.J.H.Timmers, 1987
Zandloper, zeis en Pierlala” Dr. G.T.Haneveld, Utrecht 1995
Prisma van de symbolen”(Ned.vert.), prof.dr. Hans Biedermann, München, 1911
Dood en Begraven” tentoonstellingscatalogus, 1980
brochures en mondelijke informatie van het C.M.C, Den Haag
schriftelijke informatie van de K.B., Den Haag

Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief van het Museum voor Papierknipkunst en Stichting W. Tj. Lever, 2003-3.