Auteursarchief: admin

Kerst-lantaarntje

In het Knipselmuseum Westerbork leerde Wil Schenkel van een bezoeker een envelop-truuk met geknipt zwaantje, Speciaal voor mijn kerstcursus maakte ik daarop de variant met geknipte kaarsjes:

  1. Neem een blanco envelop Plak haar dicht Vouw dubbel (1)
  2. Neem een stevige schaar Knip (of teken eerst) in de zijkant van boven naar beneden een halve kaars en knip weer terug naar boven een half ovaal (2)
  3. Doe ook zo aan de andere vouwkant (3)

Knip tot slot van boven- en onderkant van de envelop 2 mm af. Vouw open en plaats een waxinelichtje of korte kaars in het midden Zo maak je een gezellige kersttafelverlichting

Door Maruscha Gaasenbeek
Dese tip verscheen eerder in Knip-Pers 1994-4

De symboliek van de kleuren

Nu …. en dan

Nu is hier alles nog zwart:
oorlog en honger en dood,
ziekten, gebrek, hongersnood,
pijn in je lichaam, je hart.

Nu is hier alles nog rood:
haat en verdwazing en bloed,
vuur, dat verterende woedt,
seinlicht, dat staat op de dood.

Zwarter dan ‘t donkerste zwart
was Christus’ lijden en dood,
‘t Bloed, dat ons reinigt, is rood,
Rood is het vuur van Gods hart

Daarom wordt alles eens wit:
zonlicht op alles wat leeft,
bruidskleed, dat God voor ons weeft,
hemel neemt aarde in bezit!

Uit: Een boom in de wind, Nel Benschop

Christelijke kleurensymboliek

In de christelijke traditie spelen kleuren een belangrijke rol. Omstreeks 1200 werden door paus Innocentius III de kleuren vastgelegd voor de kerkelijke feestdagen en gewaden van de priesters. In de Missale Romanum uit 1570 zijn deze bepalingen uitgewerkt. Door de de betekenis van de kleuren te kennen, was het voor de gelovigen gemakkelijker om Jezus, Maria en sommige heiligen te herkennen Ook konden begrippen als liefde, lijden of heiligheid beter worden uitgedrukt. Kleur hielp om afbeeldingen op muurschilderingen, schilderijen, gebrandschilderde ramen, iconen of mozaïeken beter te begrijpen. In de katholieke kerken worden deze kleuren algemeen gebruikt, bij protestantse kerken zijn ze aanbevolen. De oosterse kerken gebruiken deze liturgische kleuren niet. Bij het maken van een knipsel in kleur voor een liturgie of een bijzondere dag Kan met de betekenis van de kleuren rekening worden gehouden

Betekenis van de kleuren

Wit is de kleur van het feest, de vreugde, de waarheid en de reinheid Het is de kleur van de ongerepte en zuivere sneeuw, de kleur van witgewassen gewaden De Heilige Geest wordt als een witte duif voorgesteld. Religieuzen dragen vaak een wit onderkleed. De albe van priester is een wit miskleed of koorhemd, dat hij onder zijn kazuifel in de te liturgisch voorgeschreven kleur draagt. De witte toga van de Paus symboliseert de hemelse heerlijkheid. In de eerste eeuwen van het christendom werden volwassenen, die tot het geloof gekomen waren in de Paasnacht gedoopt Zij droegen dan een wit kleed, dat de zondag na Pasen werd afgelegd. Het is de kleur voor grote feesten zoals Kerstmis, Epifanie (de verschijning van de Heer), Pasen en Paastijd en Hemelvaart. Wit wordt ook gebruikt bij het huwelijk, feestdagen van heiligen en de doop Het water van de doop is een beeld van reiniging en leven. Soms is Wit de kleur bij een uitvaart.

Zilver betekent reinheid en zuiverheid en kan wit vervangen.
Geel is de kleur van de zon en verwijst naar licht, luister en glorie. In Portugal wordt in plaats van wit vaak geel gebruikt bij kerkelijke feesten. Maar ook Judas wordt met de gele kleur afgebeeld, het betekent dan afgunst en verraad.
Goud is de kleur van goddelijkheid en rijkdom, symbool voor het hemelse licht en voor de volmaaktheid. Heiligen hebben op afbeeldingen vaak een goudkleurige stralenkrans, aureool of nimbus rond hun hoofd. Ikonen hebben vaak een gouden achtergrond.
Rood is de kleur van het vuur en ver wijst naar.de brandende liefde en de Heilige Geest. Als kleur van de Geest wordt rood gebruikt op het Pinksterfeest maar ook bij gelegenheden waarbij de Geest een belangrijke plaats inneemt, zoals het vormsel, het doen van belijdenis en de bevestiging van ambtsdragers. Bij een huwelijksinzegening verwijst de kleur naar de liefde. Rood is ook de kleur van het offerbloed van Christus en de martelaren en wijst zo op het lijden en op de liefde, die zichzelf offert, daarom is rood ook een goede kleur voor Palmzondag, Goede Vrijdag en de dagen waarop martelaren herdacht worden. Rood is ook de kleur van duivel en hel. Op afbeeldingen van de opgestane Heer komt rood voor als teken van de zegevierende liefde van God en Christus.
Groen is de kleur van de natuur, van het nieuwe blad in de lente en van het jonge gras. Het betekent dan ook hoop, groei, leven en toekomst. In de bijbel wordt God vergeleken met een altijd groene cypres, een gezalfde wordt een groene olijfboom genoemd. Wanneer het kruis groen wordt afgebeeld verwijst het naar de opstanding en nieuw leven. De zondagen, die buiten de advent, Kersttijd, veertigdagentijd, Paastijd en Pïnksteren vallen hebben de liturgische kleur groen, het zijn 33 of 34 zondagen.
Blauw is de kleur van de hemel en bete kent daarom goddelijkheid en oneindigheid. Jezus wordt vaak in een blauw gewaad afgebeeld. Blauw is een echte Maria kleur en verwijst naar onschuld. Samen met wit is blauw de kleur voor de Mariafeesten. Blauw is ook de kleur van de trouw.
Paars is de kleur van rouw, boete en ingetogenheid en daarom in gebruik gedurende de tijd voor Kerstmis: de adventstijd, en de tijd voor Pasen: de veertigdagentijd of lijdenstijd. Soms wordt paars gebruikt bij een begrafenis.
Roze betekent het licht dat doorbreekt, het is de liturgische kleur op de derde zondag van advent en de vierde zondag van de veertigdagentijd. Op deze zondagen breekt het licht van het komende feest door en verandert het paars in roze.
Purper is de kleur van de mantels van de koningen in de bijbel en van pausen en bisschoppen. Het betekent gezag en koninklijkheid. Het was een kostbare kleur, die vroeger bereid werd uit een kleurstof afkomstig van purperslakken. Volgens het boek Exodus, moesten de Joden stof van deze kleur gebruiken bij de vervaardiging van priestergewaden en de aankleding van de tabernakel.
Bruin is de kleur van de aarde, de herfst en de droefenis, en betekent ar moede en nederigheid. De broeders en zusters van Franciscus en Clara van Assissi dragen vaak bruine habijten.
Grijs is een kleur, die door veel religieuzen gedragen wordt en betekent wereldverzaking.
Zwart is de kleur van de duisternis, de diepste rouw en wereldverzaking. Veel religieuzen dragen een zwart bovenkleed als teken van wereldverzaking en nederigheid. Zwart wordt soms als liturgische kleur gebruikt op Goede Vrijdag. Het zwart van de rouw en boete belooft de komende opstanding en wordt van grijs tot wit Zwart is ook de kleur van een begrafenis.

Kleurensymboliek in de volkscultuur

De volksmond heeft zijn eigen kleurensymboliek:
Groen is de kleur van de hoop, maar er is ook gifgroen.
Blauw betekent trouw, maar het is ook een koele kleur.
Helder geel is het symbool van afgunst, jaloezie en nijd en is afgeleid van ‘gele gal’.
Goudgeel heeft de gloed van wijsheid.
Rood is de kleur van de liefde, wat vooral tot uitdrukking ;komt in rode rozen. Rood is ook de kleur van de woede, ‘rood aanlopen’, en gevaar.
Wit is de kleur van de onschuld, maar ook spoken zijn wit: ‘witte wieven’.
Zwart is de kleur van de dood en het onheil, pas op voor ongeluk als een zwarte kat je weg kruist.

Kleurensymboliek in de heraldiek

De kleuren in de wapenkunde hangen samen met de planeten. In 1688 beschreef Böckler de volgende betekenissen van de kleuren:
Geel en Goud staan voor de zon, en de betekenis is deugd, verstand., aanzien en hoogheid.
Wit en Zilver staan voor de maan en zij wijzen naar reinheid, onschuld en vreugde.
Rood en IJzer zijn voor Mars,, zij betekenen brandende begeerte en een godvrezend hart dat bereid s voor het Woord van God zijn bloed te vergieten.
Blauw en Tin staan voor Jupiter en de betekenis is standvastigheid, trouw, wetenschap en innige devotie tot God, Zwart en Lood zijn voor Saturnus, zij betekenen treurigheid, deemoed, ongeluk en gevaar.
Groen en Koper taan Venus, de betekenis is vrijheid, schoonheid, vrolijkheid, gezondheid, hoop en mildheid.
Purper en Violet zijn koninklijke kleuren.
Oranje wijst naar onbestendigheid en eigen roem.

Gelezen:
Symbolische bloemsierkunst, Ad van Uffelen
Prisma van de symbolen, Hans Biedermann.

Illustraties:
1. Geloof, hoop en liefde
Het kruis is een symbool voor het geloof. De hoop is een anker, veilig en vast. De liefde tot God komt uit ons hart. De korenaren en druiven trossen verwijzen naar brood en wijn van het Heilig Avondmaal.
2. Bevestiging van een ambtsdrager
De driehoekige vorm verwijst naar de drie-enige God. De bijbel, het woord van God staat centraal. De klokjes bloemen verwijzen naar het geroepen worden tot het ambt. De tulpen, die met hun open hart naar de hemel staan zijn een symbool voor het gebed.
3. Belijdenis
De belijdenis is een bevestiging in het geloof, daarbij staat de bijbel centraal. Om de bijbel goed te kunnen begrijpen is verlichting door de Heilige Geest nodig. Het sacrament van het Heilig Avondmaal versterkt het geloof.
4. Bijbellezing
Om de bijbel te kunnen begrijpen bid den we om verlichting met de Heilige Geest, zodat Gods Woord een lamp voor onze voet en een licht op ons ad wordt De neerdalende duif is het symbool voor de Heilige Geest. De tulp betekent gebed.
5. Doop
Er wordt gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Bij de doop wordt de naam van de dopeling verbonden met de naam van de drie-enige God. De drie-eenheid is uitgebeeld door het driekleurig viooltje. Het water van de doop verwijst naar reiniging en nieuw leven.

Door Rieny van Beek
Dit artikel verscheen eerder in de Knip-Pers 1994-4

Christelijke symboliek van de Bloemen III

Door Rieny van Beek

In de tijd dat de vroeg-Christelijke kunst ontstond, konden de gewone mensen niet lezen en schrijven. Kennisoverdracht vond plaats door middel van vertellingen of door schilderingen. In de oud-Christelijke kerken zijn daarom veel muurschilderingen aangebracht, er hangen schilderijen en tapisserieën of er staan prachtige altaarstukken. Op deze schilderingen staan vaak passages uit de Bijbel, voorstellingen van Heiligen, Maria met het kindje Jezus of andere religieuze afbeeldingen.Ook de Heiligenbeelden spraken de mensen in die tijd erg aan. Behalve personen, die het belangrijkste op dergelijke voorstellingen waren, stonden er ook veel attributen op met symbolische betekenis. Vaak moet je zoeken naar deze symbolen omdat ze soms heel klein zijn. De mensen in de Middeleeuwen leefden niet zo jachtig als wij en hadden wel de tijd om alle kleine aanwijzingen op te sporen. Graag wil ik bloemen en planten, die in de vroeg-Christelijke tijd een symbolische betekenis meekregen, beschrijven.

Bloemen en planten met bijbelse naam

Sommige bloemen en planten hebben een Bijbelse naam gekregen omdat ze door hun kleur of vorm aan een persoon of gebeurtenis uit de Bijbel doen denken.
Jacobsladder. De volksnaam van deze plant slaat op de dubbele rij bladeren, die aan een centrale stengel zitten en zo op een ladder lijken. De aartsvader Jacob kreeg een droomvisioen van den ladder die tot de hemel reikte, waar langs de engelen Gods opklommen en neerdaalden als teken van contact tussen God en mens. De Jacobsladder is veel te zien op kribbevoorstellingen, als symbool van de verbinding tussen hemel en aarde.

Johannesbroodboom of Sint Jansbroodboom. De boom dankt zijn naam aan Johhannes de Doper, omdat hij zich met de vruchten van deze boom gevoed zou hebben. De zaden zitten in lange peulen en zijn eetbaar.

Judaspenning. De Judaspenning heeft zilverkleurige zaaddozen, die herinneren aan de dertig zilverlingen die Judas kreeg als loon voor zijn verraad van Jezus. De Judaspenning betekent verraad.

De Tiengebodenplant dankt haar naam aan de tjen opvallende donkere vlekken die zich op de groene bladeren bevinden. De tien vlekken herinneren aan de tien geboden die Mozes op twee stenen tafelen van God ontving op de berg Sinaï.

De Salomonszegel is familie van het Lelietje van Dalen. Het is een bosplant met langwerpig blad en kleine witte klokvormige bloemen, die bijeen aan lange gebogen stengels hangen. Als de stengels afsterven laten ze een litteken na op de wortelstok. Dat litteken lijkt met enige fantasie op een zegel dat vroeger gebruikt werd om belangrijke stukken te waarmerken.

Het Hemelroosje is een rijkbloeiende plant waarvan de bloemen van de blauwe variant aan de hemel doen denken. De Ster van Bethlehem dankt haar naam aan de vele stervormige bloemen, die wit of blauw van kleur zijn.

Het gebroken hartje, ook wel Mariatranen genoemd, is een sierlijke plant met hangende hartvormige bloemen aan gebogen stengels. De rose bloemen lijken op hartjes en de witte stukjes daarin zijn de tranen, die verwijzen naar het verdriet van Maria bij Jezus kruisiging en dood.

Jona’s wonderboom of Ricinus is een bladplant uit tropisch Afrika, met grote esdoornachtige bladeren. Eenmaal gezaaid bereikt deze struik al gauw de hoogte van meer dan een meter en doet dan denken aan de wonderboom die de Heer voor Jona beschikte, zodat hij in de schaduw kon zitten.

De doornen van de Christusdoorn herinneren aan de doornenkroon, die Jezus voor zijn. kruisiging moest dragen. De kleine rode bloempjes doen denken aan zijn bloed.

De Aronskelk heeft een opvallende bloemkolf die in de volksmond wel de Aronsstaf genoemd wordt.

De witgevlekte Mariadistel doet herinneren aan de moedermelk van de Heilige Maagd. De bittersmakende distel is een geneeskrachtige plant en helpt tegen maagkwalen.

Planten genoemd naar kerkelijke personen

Profetenbloem of Arnebia heeft heldere buisvormige bloemen. Iedere bloem heef t vijf ronde paarsgevlekte kroonbladeren, die na verloop van tijd verbleken

De Heiligenbloem of Santolina heeft fijnverdeeld zilverkleurig blad. Tussen het geurend blad verschijnen stralende knopvormige bloemhoofdjes als het aureool rond de heiligen., De astrophytum is een cactus en wordt in Nederland wel Bisschopsmuts genoemd omdat de vorm van de plant lijkt op het hoofddeksel van de bisschop. De Kardinaalshoed is een struik die in de herfst helderrode vruchten krijgt. Als deze vruchten opengaan ziet men de oranjerode zaden, die op het kardinaalshoedje lijken.

De Monnikskap heeft lange aren met, bloemen die op een kapje lijken in de kleuren diepblauw, blauw of paarsblauw.

Er zijn ook planten, die op een bepaalde datum bloeien of in een bepaalde tijd van het jaar thuishoren. In de voorzomer bloeit de lila Pinksterbloem uitbundig in de weilanden of langs de wegen. Hoewel de bloei niet altijd samenvalt met het Pinksterfeest dankt de bloem daar toch haar naam aan. Het Sint Janskruid is een geneeskrachtig kruid dat bloeit op Sint Jan, 24 juni. De symbolische betekenis is heil. De plant zou ontstaan zijn uit het bloed van Johannes, dat bij zijn onthoofding vloeide. Als men jonge bloemknoppen tussen de vingers stuk wrijft, komt er paarsrood sap uit. Als men het blad tegen het licht houdt, ziet men er lichte doorschijnende puntjes in: het blad lijkt doorboord met gaatjes. Dit, zou de duivel gedaan hebben in een poging de heilzame kracht te breken. In de bloemen van het St.Janskruid ziet men zomers kleine glanzende kevers in donkerblauwe, groene en donkerrode kleur. Het zijn de Sint-Janskruidhaantjes, die leven van de bladeren.

Op 25 juli is het de naamdag van Jacobus, dan staat in de duinen het Jacobskruiskruid volop in bloei. De plant bloeit met stralend gele bloemen, die een schermvormige tros vormen. Op het Jacobskruiskruid worden vaak geel met zwarte Zebrarupsen gevonden van de rood met zwarte Jacobsvlinder. Enkele bloemen en planten hebben Kerst voor hun naam. Zo bloeit de Kerstcactus of lidcactus meestal rond de Kerst met karmijnrode bloemen. De Kerstster is een plant met rode, witte of roze schutbladeren, die speciaal voor de Kerst gekweekt wordt. Ook de rode Kersttulp bloeit met Kerst. De Kerstroos is de vroegst bloeiende plant in de tuin. Rond Driekoningen staat ze met witte bloemen vaak in de sneeuw te bloeien.

De Passiebloem bloeit rond Pasen en beeldt het lijden van Christus uit.

Gelezen:
Manfred Lurker, Woordenboek Bijbelse beelden en symbolen.
Hans Biedermann, Prisma van de symbolen.
Aad van Uffelen en Tini Brugge, Symbolische bloemsierkunst.
Dr. P. Zonderwijk, De bonte berm.

Knipsels van Rieny van Beek
Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 1994-3

Prikwerk in het Knipkunstmuseum, deel 4

door Atty Broer

De pendanten
Deze twee stukken behoren tot de mooiste van ons museum. Ze zijn gemaakt ter gelegenheid van het huwelijk van Leendert Hendrik Viruly en Annette Bartholine Christine van Pelt, dat op 1 december 1820 in Schiedam gesloten werd. Ze zijn even groot (ca. 46 x 35 cm) en geprikt in velijnpapier afkomstig van de fa. J.D. Honig, een beroemde papiermaker in de Zaanstreek. Beide prikwerken zijn symmetrisch van opzet, maar de uitwerking is dat niet helemaal. Links en rechts klimmen rozentakken omhoog met fraai gevormde bloemen, knoppen en blaadjes waarin reliëf is aangebracht door van twee kanten te prikken en het papier aan de achterkant op te bollen.

Op het prikwerk voor Annette staan links en rechts aan de onderkant twee olifanten met opgeheven slurf wel beschouwd als symbool van de zachtmoedigheid, omdat het dier nooit met andere dieren vecht, behalve als het zelf aangevallen wordt en het bovendien heel voorzichtig omgaat met jonge en kleinere dieren. De beweeglijkheid van de slurf is met een bandering uitgedrukt. De grote oren en de huidplooien zijn met reliëf aangegeven. De achterlichamen zijn er niet, op de plaats daarvan zitten bloemenranken waarvan de stelen elkaar midden onder naderen waar ze overgaan in een uit kleine blaadjes bestaande cirkel waarin staat “Huwelijksfeest 1820”. Links en rechts zwemt een zwaan met een jong op de rug, symbool voor zuiverheid en gratie. Op het middengedeelte tussen de bloemenranken staan haar namen onder elkaar,

Annette Barte Christe Van Pelt met gekrulde hoofdletters en mooie schrijfletters met dunne ophalen en zware neerhalen waarvan de brede gedeelten met prikjes opgevuld zijn. Het geheel wordt beschenen door een stralende zon.

De opbouw van Leendert Hendriks werk is net als dat van zijn vrouw. Daar zien we dus ook de bloemenranken en de cirkel met “Huwelijksfeest 1820”, maar verder zijn voor hem andere attributen afgebeeld. Zo zien we onderaan links en rechts van de cirkel een hoorn des overvloeds, een anker (belooft houvast en veiligheid), een baal en een vat, kennelijk zaken die bij zijn beroep van “koopman en koornwijnstoker”, zoals in de huwelijksakte vermeld wordt, passen. De maker van het prikwerk wist toen nog niet dat Viruly zich minder zou bezighouden met de handel in stukgoederen dan wel met die in onroerend goed, met name land. Bovenaan in het midden staat een grote schaal op een voet met daarin een fontein, die op twee niveaus haar waterstralen naar alle kanten spuit. In het middengedeelte staan zijn namen onder elkaar.

De maker van beide stukken heeft bijna volmaakt werk afgeleverd. Bijna? Ja, want in beide heeft hij -vast expres- een klein foutje gemaakt. In het stuk voor Annette steekt een van de olifanten zijn slurf door de oranjebruine omlijsting en in dat van haar man is een klein blaadje aan de bovenzijde van het stuk niet ingevuld met prikwerk. Dit sluit aan bij de traditie van het aanbrengen van een fout in een kunstwerk, omdat men niet aan God gelijk is en dus in deze onvolmaakte wereld niet iets volmaakts kan of mag afleveren. Ook nu nog zien we dit toegepast bij bijvoorbeeld quiltwerk, tapijten en mozaïeken. Gezien de kwaliteit van zijn werk moet de maker een ruime ervaring gehad hebben. Helaas kennen wij zijn naam niet en we hebben nog geen ander werk van hem achterhaald. Jammer is ook dat prikwerk niet goed te fotograferen is, zodat we geen afbeelding in de nieuwsbrief kunnen tonen, maar de stukken behoren tot de vaste opstelling van het museum. Dus, wanneer u in Schoonhoven bent, ze zijn altijd te bekijken.

Viruly en zijn vrouw waren allebei afkomstig uit een gegoede koopmansfamilie. In de volgende nieuwsbrief hoop ik daar wat meer over te vertellen. Helaas verloopt het onderzoek naar Viruly’s achtergrond nogal moeizaam, omdat archiefstukken die ik wil raadplegen door gemeentelijke herindeling in midden Delfland van hun oorspronkelijke bewaarplaats (meestal het gemeentehuis) overgebracht zijn naar grotere archieven in de regio. Ook dat behoort bij het doen van onderzoek.

Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief van het Museum voor Papierknipkunst en Stichting W. Tj. Lever, 2003-4.

Prikwerk in het Knipkunstmuseum, deel 3

door Atty Broer

Bloemenvaas
De bloemenvaas is in velijnpapier uit ca. 1808 geprikt. Velijnpapier is handgeschept papier dat geen afdruk van de ketting- en zeeflijnen laat zien. Het werd vervaardigd met een schepraam waarvan de zeef voorzien was van een fijn geweven koperdoek. Zo ontstond een mooie kwaliteit papier die onder andere gebruikt werd voor postpapier en beter drukwerk. Een Grieks aandoende vaas is weelderig opgemaakt met een groot boeket, samengesteld uit allerlei bloemen die in werkelijkheid nooit allemaal tegelijk bloeien, zoals we dat vaker zien op schilderijen. In de 17de eeuw hebben onder meer Jan Breughel de Oude en Ambrosius Bosschaert dergelijke schilderijen gemaakt. Eind 18de en begin 19de eeuw ontstond er klaarblijkelijk opnieuw interesse voor, want in een oude (1976) geïllustreerde catalogus van schilderijen van het Rijksmuseum vond ik er een flink aantal voorbeelden van.

Abraham Bosschaert, collectie Rijksmuseum

Een daarvan (van een anonieme Zeeuwse schilder) zou de maker van ons priksel heel goed als voorbeeld gediend kunnen hebben. De vaas is bijna identiek en de compositie van bloemen komt ook vrijwel overeen. De maker heeft met een heel fijn prikpennetje gewerkt. De hoofdlijnen van vaas, bloemen en blaadjes heeft hij van voor naar achter geprikt en de details van de afzonderlijke bloemblaadjes en de vaas van achter naar voren, zodat enig reliëf is ontstaan. Dat wordt bovendien nog versterkt doordat hij de nerven van de blaadjes en de lijnen van de vaas aan de achterkant met de prikpen “getekend” heeft en gedeelten van bloemen en bladeren met een stomp voorwerpje opgebold heeft. Gezien de kwaliteit van dit prikwerk hield de maker zich vast wel vaker bezig met van deze liefhebberij.

De zandloper
Dit priksel is een zogenaamd vanitaswerk dat ons op symbolische wijze herinnert aan het verstrijken van de tijd en de vergankelijkheid van het leven. Behalve een zandloper zijn een doodshoofd -al of niet met gekruiste beenderen-, een bellenblazend kind, een uitgedoofde kaars, een viool met een gebroken snaar en klokken veel voorkomende symbolen die alle ongeveer dezelfde waarschuwing inhouden: memento mori of gedenk te sterven!

We zien ze onder andere in het herdenkingsknipsel voor Van Speijk en in een interessant knipsel (in de familie bekend als “Vadertje Tijd”) dat museumbezoekers ons onlangs toonden.

Op ons prikwerk staat op de bovenste helft van het blad een zandloper met aan weerszijden een doodshoofd met twee gekruiste beenderen. Aan de onderkant wijzen twee sikkels met de punten naar elkaar. De zandloper is omvat door een open krans van takken waarvan de uiteinden door twee putti gedragen worden. Met hun andere hand houden ze een kroon omhoog. Onder deze krans staat “Geen onderscheit van rang”, dan twee sierlijk gebogen takken en het vervolg van de tekst:

“Regtvaardig is de dood,
Hij ontziet geen graaf,
of koning,
Hij klopt zowel aan
het hof,
Als aan een boerewoning”.

Daaronder zijn weer takken geprikt en de hele voorstelling is met rozen omgeven. Het prikwerk is heel zorgvuldig uitgevoerd, beurtelings van voor naar achter en omgekeerd. Het daardoor ontstane reliëf geeft het geheel een levendige uitstraling. Er is machinaal papier voor gebruikt uit ca. 1850. Zandloper en sikkel zijn symbolen die hun oorsprong vinden in de Griekse mythologie. De god Kronos, de god van de tijd, wordt er meestal mee afgebeeld. Soms heeft de zandloper of Kronos zelf ook nog vleugels om ons eraan te herinneren dat de tijd vliegt. Dat zal velen van ons niet vreemd in de oren klinken. De sikkel herinnert aan de strijd om de wereldmacht die in de Griekse godenwereld in alle hevigheid eeuwenlang gewoed heeft en waarin Kronos zijn vader Uranus ontmande met een sikkel. In het Christendom worden in de late Middeleeuwen de zandloper en de sikkel (zeis) overgenomen als symbolen rond dood en begraven. Tot in de 20ste eeuw zien we ze op grafzerken afgebeeld. Schedels en andere beenderen kwamen daarbij. Omdat deze het laatst vergaan werden ze vroeger bij het ruimen van een graf bewaard in een knekelhuis of ossuarium dat bij elk kerkhof te vinden was. Bij mijn weten bestaan deze gebouwtjes nergens meer in Nederland, maar in het Gelderse dorpje Geesteren zit in de kerk nog een uit het knekelhuis afkomstige steen ingemetseld met het opschrift: “Anno 1633, Tredt hirbi en segget mi wie dat hir bur ofte edelman si” (treed hier binnen en zeg me wie hier boer of edelman is). De maker van ons priksel brengt ruim twee eeuwen later een tekst met een vergelijkbare boodschap in zijn werk aan. En jaren geleden heb ik in Trégastel, een dorp in Bretagne, een halfrond ossuarium gezien dat daar tegen het 13de eeuwse kerkje gebouwd was waar boven de toegangsdeur in het Latijn stond: “Heden ik, morgen gij, voor wie daaraan denkt verliest alles zijn waarde”. Het ossuarium werd niet meer gebruikt, maar de waarschuwing boven de deur is van alle tijden.

Prins Frederik
Een van de grotere prikwerken van ons museum betreft het portret van prins Willem Frederik Karel van Oranje Nassau (1797-1881), de jongere broer van Koning Willem II. Als voorbeeld voor het portret is een gravure van D. Sluyter naar een schilderij van H. Langerveld uit 1817 gebruikt.

[4] Hermanus Langerveld (1777-1830) was portretschilder en kreeg meteen na de benoeming van de prins tot Grootmeester Nationaal van de Orde der Vrijmetselaren in Nederland de opdracht een portret van hem te schilderen. Van 1816 tot zijn dood in 1881 heeft de prins deze functie bekleed. De jonge prins is afgebeeld staande achter een tafel. Hij is gekleed in militair tenue en draagt links op de borst de Militaire Willemsorde. Verder draagt hij de versierselen van de vrijmetselarij die bij zijn functie als grootmeester horen, om zijn hals het cordon met de zon en onderaan het rozenkruisjuweel. Dit juweel bestaat uit een liggende gradenboog waarop een pelikaan staat die zich de borst openpikt om met zijn bloed zijn jongen te voeden (zinnebeeld van de zelfopofferende liefde), er achter staat het kruis waaraan een rozentak ontspringt. Dit beeld is omsloten door benen van een passer waarop een kroon staat. Op latere leeftijd heeft hij dit juweel vervangen door een ander, omdat hij vond dat het teveel nadruk legde op de christelijke thematiek, terwijl godsdienst en levensbeschouwing van de leden juist geen rol mochten spelen bij de vrij metselaars. Op de klep van het schootsvel staat een stralende zon. Op de tafel liggen het boek “Wet en Orde” [5] waarin de regels van de maçonnieke werkwijze vastgelegd zijn (de prikker heeft de titel weggelaten). Op het boek liggen twee gekruiste degens en in zijn hand houdt hij de voorzittershamer. De achtergrond wordt gevormd door een gecannuleerde zuil links en in de rechterbovenhoek hangt een rond gedrapeerd gordijn met franje. Door briefcontact dat Henk van Ark enkele jaren geleden had met het Cultureel Maçonniek Centrum in Den Haag was al bekend dat zich daar een soortgelijk werk bevond, maar door tijdgebrek is het toen niet tot een nauwkeurige vergelijking gekomen. Die heeft pas onlangs plaatsgevonden. Ik ben met ons prikwerk naar Den Haag geweest om de twee stukken te vergelijken en om geïnformeerd te worden over de vrijmetselarij, een voor mij vrijwel onbekend onderwerp (later iets meer hierover). Het blijken vrijwel identieke stukken te zijn die zeker door dezelfde persoon gemaakt zijn. Beide werken zijn met een vrij grove pen geprikt in dezelfde papierkwaliteit. Het papier is naar alle waarschijnlijkheid velijnpapier (zie de bloemenvaas). Dat valt af te leiden uit de beide watermerken. In het Haagse stuk luidt dit, nog nauwelijks leesbaar: B1….v (of u)….Briel(e) en in het Schoonhovense VGS.

Omstreeks 1810 ontstond in de Zaanstreek de kunst van het velijnpapiermaken. Een van de papierfabrikanten die zich daar mee bezig hield in de periode 1775-1835 was de firma Blauw & Briel. Het lijkt niet te gewaagd te veronderstellen dat het Haagse papier daar gemaakt is. Het watermerk VGS in het Schoonhovense papier is waarschijnlijk het merk van de firma Van Gelder Schouten & Comp., eveneens een bedrijf in de Zaanstreek dat velijnpapier maakte. Beide prikwerken zullen in de jaren twintig van de 19de eeuw gemaakt zijn, in ieder geval voor 1830. Op 28 december 1830 werd namelijk het Haagse stuk aangeboden aan de Loge “L’enfant de la Vertue” in Veere door broeder J.L.A. Jacobse, die het in een begeleidende brief “een uitmuntend geprikt werk noemt (Bron: Notulen van de bijeenkomst van de Veerse loge). Na het opheffen van deze loge zijn de bezittingen in het CMC terecht gekomen, maar de betreffende brief is helaas verdwenen.

In het Haagse prikwerk zijn minder details aangebracht dan in het Schoonhovense en het is minder zorgvuldig geprikt. Het gordijn in de rechterbovenhoek is smaller en als rand heeft het een vijfdubbele rij prikjes gekregen, terwijl in het Schoonhovense stuk een bredere rand met een patroontje geprikt is. Bovendien is dat gordijn langer en rijker geplooid. De zuil heeft ook een rijkere versiering gekregen, evenals het tafelkleed. Op beide stukken ontbreekt de titel van het boek en van de versierselen van de vrijmetselarij heeft de prikker helemaal een potje gemaakt. Waarschijnlijk was hij (of zij) niet bekend met de symboliek van de organisatie. Van het rozenkruis is op beide priksels niet meer gemaakt dan een driehoek met een gebogen basis en de zon in het cordon lijkt in het Schoonhovense stuk meer op een bloem en in het Haagse werk meer op een ster. De naam van de prins heeft de maker -geheel afwijkend van de gravure- in schrijfletters weergegeven. Wat het meest opvalt aan beide werken is het is het gebrek aan gelijkenis van het gezicht van de prins op de gravure en dat in de priksels. Beide stukken overziend lijkt het alsof de maker zelf niet helemaal tevreden was met zijn werk en het nog een tweede keer heeft geprobeerd. Het Schoonhovense stuk zou dan het tweede moeten zijn. Het is helemaal voorgetekend en het is veel preciezer geprikt met rijkere versieringen dan het Haagse waarin geen spoor van potloodlijnen te zien is. De eerder genoemde onderlinge verschillen en afwijkingen van de gravure zijn de zelfde. De kwalificatie “uitmuntend geprikt werk” van broeder Jacobse vind ik dan ook rijkelijk overdreven.

Geraadpleegde literatuur:
Christelijke symboliek en iconografie” prof.dr.J.J.H.Timmers, 1987
Zandloper, zeis en Pierlala” Dr. G.T.Haneveld, Utrecht 1995
Prisma van de symbolen”(Ned.vert.), prof.dr. Hans Biedermann, München, 1911
Dood en Begraven” tentoonstellingscatalogus, 1980
brochures en mondelijke informatie van het C.M.C, Den Haag
schriftelijke informatie van de K.B., Den Haag

Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief van het Museum voor Papierknipkunst en Stichting W. Tj. Lever, 2003-3.

Christelijk symboliek van de bloemen II

Door Rieny van Beek

“De sterveling, zijn dagen zijn als het gras, als een bloem des velds, zo bloeit hij; wanneer de wind daarover is gegaan, is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.”
Psalm 103 vers 15 en 16.

De bloem die spoedig verdort, verwijst naar de vergankelijkheid van de aardse schoonheid en het aardse leven. In het hemels paradijs is deze schoonheid duurzaam en het leven eeuwig. Het planten van bloemen op een graf is een oud gebruik, wat hiermee verband houdt. In de christelijke symboliek verwijst de bloesemkelk, die naar boven geopend is, naar het ontvangen van Gods gaven.

Symbolen voor de drievuldigheid
De drieëenheid, ook wel drievuldigheid of Triniteit genoemd, betekent in de christelijke kerken dat God n Wezen is en zich openbaart als drie personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De. drievuldigheid wordt uitgesproken tijdens de doop: “Ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest”. Er zijn enkele bloemen en planten, die de drievuldigheid uitbeelden en vaak op oude schilderingen voorkomen.

Het blad van de aardbei is drietallig en daarom een beeld van de drievuldigheld. Door de fijne smaak en geur wordt de vrucht vergeleken met hemels voedsel als beloning voor goede werken. Daarom betekent de vrucht van de aardbei: rechtvaardigheid.

Het driekleurig viooltje wordt drievuldigheidsbloem genoemd door de drie kleuren in haar bloemkroon. In de bloemvorm van het viooltje kan men een door stralen omgeven driehoek zien met in het centrum een oog. Deze gelijkzïjdige driehoek is een oudchristelijk symbool voor de goddelijke drievuldigheld. Het oog binnenin de driehoek is het alziend oog van God, een christelijk symbool wat reeds in de Middeleeuwen bekend was en verwijst naar 1 Petrus 3 vers 12: “De ogen des Heren zijn  op de rechtvaardigen”.

De akelei heeft een drietallig blad en is daarom een symbool voor drievuldigheid. Een deel van de bloem lijkt op een duif, het symbool voorde Heilige Geest.

Ook van de anemoon is het blad drietallig en een teken van de drievuldigheid. Volgens de overlevering worden met de “leliën des velds”, waarover Jezus in de bergrede spreekt, de anemonen bedoeld; zij zijn het attribuut van enkele heiligen. De rode anemoon is een symbool van de dood en het bloed van Jezus, volgens een legende bloeiden er anemonen aan de voet van het kruis. Het bloed van Jezus kleurde deze bloemen rood.

De engelwortel is een symbool voor de drieëenheid omdat de bladeren drietallig zijn. Het geneeskrachtige kruid brengt zegen, omdat het volgens een legende door een engel aan de mensen is gegeven in de tijd dat de pest, de zwarte dood, heerste.

De iris heeft drie bloembladeren die naar beneden, naar de aarde zijn gericht en drie die naar boven, naar de hemel zijn gericht. Het is daarom een veel gebruikt symbool voor de drievuldigheid.

Ook de klaver is een teken van de Triniteit, doordat het blad drietallig is. Saint Patrick, die omstreeks 440 zendeling was in Ierland, gebruikte het klaverblad om de Ieren de drievuldigheid van God uit te leggen. Het klaverblad werd het attribuut van Saint Patrick, die een slang doodde met een klaverbladvormige kruisstaf. Het klaverblad, shamrock, is een nationaal symbool in Ierland. De sterfdag van Saint Patrick (17 maart) is een nationale feestdag.

Vroeger werd klaver gebruikt als grafbeplanting en daarom is het een ver wijzing naar nieuw leven na de opstanding.

Christussymbolen

Enkele bloemen en planten verwijzen naar het lijden en sterven van Christus en zijn opstanding. Het gevlekte blad van de aronskelk en de rode bessen zouden volgens een legende ontstaan zijn omdat het bloed van Christus erop gevallen zou zijn. De naam heeft deze bloem te danken aan de opvallende bloeikolf, die herinnert aan de staf van Aäron.

De doornen van de christusdoorn herinneren aan de doornenkroon die Jezus moest dragen voor zijn kruisiging. De rode bloemen van de klaproos doen denken aan het bloed van Jezus. De klaproos komt veel voor op plaatsen waar hevig gevochten is. In de zomer van 1919, na de eerste wereldoorlog, bloeiden de klaprozen uitbundig op de slagvelden van Vlaanderen en Noord-Frankrijk. Tijdens de dodenherdenking in Engeland op 11 november, worden er op de oorlogsbegraafplaatsen kransen en klaprozen gelegd. Iedereen draagt dan een imitatie-klaproos in zijn knoopsgat. De opbrengst van de verkoop van de klaprozen (poppies) is bestemd voor de opvang van gehandicapte veteranen en hun familie. Tijdens de herdenkingsplechtigheid in de Royal Alberthall dwarrelen duizenden klaproosblaadjes naar beneden tijdens de twee minuten stilte. In de poppies zien we het symbool van de vrede en hoop, de eerste bloem die na de vrede op het front zo rijkelijk begon te bloeien. De klaproos betekent ook vertroosting. Op sommige afbeeldingen waarop Christus aan het kruis is genageld, heeft hij een lisdodde of rietstok als scepter in de hand. De rietsigaren van de lisdodde worden in Vlaanderen Christusstokken of Ecco-homo-riet genoemd (Ecco homo betekent: zie de mens). De getande bladeren van de hulst ver wijzen naar de doornenkroon en de rode bessen doen denken aan het bloed van Jezus.

De passibloem beeldt het lijden van Christus uit. De stampers lijken op de nagels en de meeldraden op de hamers die bij de kruisiging werden gebruikt. De bloemkroon lijkt op een doornenkroon en de vijf meeldraden verwijzen naar de vijf wonden van Jezus.

De kalebas heeft een grote groeikracht en is daarom een symbool voor de verrijzenis. De pelgrims gebruikten de kalebas om water in te bewaren op reis. De muurbloem groeit op oude muren en lijkt er wel doorheen te breken. Ze herinnert aan de steen die van het graf gerold is, daarom is de muurbloem een symbool voor de opstanding. De steenbreek lijkt rotsen en stenen te kunnen splijten en is zo een symbool voor het opengebr9ken graf. De palm verwijst naar de overwinning en opstanding. Bij Jezus intocht in Jeruzalem riepen de mensen Hosanna en zwaaiden met palmtakken. Op de graven van de eerste christenen werd vaak een palmtak afgebeeld als verwijzing naar de opstanding.

De bloembladeren van de tulp staan open naar de hemel, daarom is de tulp het symbool voor gebed. Volgens een legende bad Jezus in de nacht voor de kruisiging in de olijfhof te midden van witte tulpen. Toen de ochtend aanbrak waren deze tulpen rood geworden.

Gelezen:
Symbolische bloemsierkunst, Aad van Uffelen en Tini Brugge.
24 Christelijk Symbolen, geknipt en verklaard door S.S. Smeding.
Prisma van de symbolen, Hans Biedermann.

knipsels van Rieny van Beek.
Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 1994-2.

Inlijsten van knipwerk

Door Hendrien Warmerdam en Rieny van Beek

Een mooi uitgewerkt knipwerk is het waard om ingelijst te worden. Daarvoor zijn verschillende mogelijkheden wat betreft glas, lijst en passe-partout. Een goed gekozen inlijsting maakt het knipwerk af.

Passe-partout
Een passe-partout is gemaakt van een vel stevig geperst karton, waar het binnengedeelte is uitgesneden. Het karton is zuurvrij of pH neutraal, zodat het op den duur niet bruin verkleurt. De binnenranden(snede) lopen schuin naar het middengedeelte toe. De schuine binnenrand kan dezelfde kleur hebben

als het passe-partout, maar kan ook verschillen: b.v. een wit passe-partout. met een zwarte binnenrand. Door het gebruik van een passe-partout wordt het knipwerk mooier en krijgt het geheel rust. Soms wordt een passe-partout gebruikt om het knipwerk van het glas af te houden. Wanneer sommige delen van het knipwerk iets naar voren komen, zo als bloemblaadjes of takjes, geeft dat een speels effect.

Het is ook mogelijk om een klein gedeelte van het knipwerk door te laten lopen op het passe-partout, op deze manier wordt het passe-partout bij het ingelijste knipwerk betrokken.

Soorten passe-partouts
Het uitgesneden gedeelte van het passe-partout is rechthoekig, vierkant, ovaal of rond. De buitenrand is vaak rechthoekig en soms vierkant, dit hangt af van de lijst die er omheen komt. Ovale en ronde lijsten zijn moeilijk in alle maten te krijgen, daarom wordt dit meestal opgelost door een rechthoekig passe-partout niet een ovale of ronde uitsnijding. Passe-partouts zijn er in vele kleuren, maar het mooiste resultaat geven de lichte kleuren, omdat donkere kleuren het geheel zwaar maken. Bij een zwart-wit knipsel kan wel een zwart passe-partout gebruikt worden.

Dubbele en driedubbele passe-partouts kunnen gebruikt worden bij gekleurd knipwerk in meer kleuren. De buitenste passe-partout moet rust geven, is breed en van een lichte kleur b.v. gebroken wit, daaronder kan een smalle passe-partout in n van de kleuren die in het knipwerk voorkomt, eventueel gevolgd door een derde. De terugkerende kleuren geven wat extra’s aan het knipwerk.

                   

knipwerk heeft een verhoogde passe-partout nodig. Daarvoor worden aan de achterzijde van het passe-partout repen foam geplakt, zodat tussen het driedimensionaal knIpwerk en het glas voldoende ruimte is om het werk goed tot zijn recht te laten komen.

Maat en plaats van het passe-partout
Bij het kiezen van een passe-partout wordt gekekeken naar de mooiste verhoudingen. De rand van een passe-partout is nooit smaller dan 3, 5 4 cm. Bij een lijstmaat van 40 bij 50 cm is de breedte 6 -7 cm, bij een lijstmaat van 60 bij 80 cm is de breedte 78 cm. De maximale maat voor een passe-partout is 80 bij 110 cm. De breedte van de rand hangt af van de maat van het passe-partout.

         

Er bestaat geen gouden regel voor de breedte, bij grote lijsten wordt vaak de onderrand iets breder gemaakt dan de bovenrand en zijranden. Een vierkante uitsnijding komt in het midden van een vierkant, of In het bovengedeelte van een rechthoekig passe-partout.

Een ovale uitsnijding komt in het midden van een rechthoekig passe-partout Een ronde uitsnijding komt in het bovengedeelte van een rechthoekig of in het midden van een vierkant passe-partout, wat een rustiger effect geeft.

Een a-symmetrische uitsnljding geeft een bepaalde- spanning aan het knipwerk. Gebruik die niet bij symmetrische knipsels.
Meerdere uitsnijdingen uit passe-partout is ook mogelijk, bijvoorbeeld bij het inlijsten van de vier jaargetijden (zie pagina 19, bovenaan)

Lijsten
Lijsten zijn er in vele breedten, kleuren en maten De breedte van de lijst moet in overeenstemming zijn met de afmetingen van het knipwerk.

Bij een gekleurd knipwerk is het mooi om de kleur in de lijst te laten terugkomen Een witte of zwarte lijst is altijd mooi bij een zwart-wit knipwerk Soms geeft een goudkleurige lijst een bijzonder effect. Een lijst van aluminium of blank hout geeft rust en is altijd te gebruiken

Glas
Bij gebruik van helder glas bij het inlijsten, komt het knipwerk mooier tot zijn recht dan bij ontspiegeld glas.

Dit artikel verscheen eerder in de Knip-Pers 1994-1.

Christelijke symboliek van bloemen

Heer Jesus heeft een hofken, daar schoon bloemen staan.
Daarin zoo wil ik plukken gaan, ‘t is wel gedaan.
Die leliekens, die ik daar zag zijn zuiverheid.
Die zoete violetten zijn ootmoedigheid.
De schoone purper roze was de lijdzaamheid.
De schoon vergulde goude bloem gehoorzaamheid.
Nog was er één, die boven al spande de kroon,
Coronimperiale, ‘t was de liefde schoon.
Maar d’ aller schoonste beste bloem al in dat Hof,
dat was de Heere Jesus zoet, dus zij Hem lof.
Och Jesus, mijn gebed en al mijn zaligheid.
Maak van mijn hert uw hoveken, het is bereid.

refrein:
Men hoort daar niet dan engelenzang en harpgespel,
trompetten en klaretten en die veelkens al zoo wel.

                                                      

Door Rieny van Beek

In dit laat-Middeleeuws Nederlands lied wordt de bloemensymboliek van die tijd in het kort samengevat. Veel bloemen hebben als symbool een christelijke betekenis, die al eeuwenlang gebruikt is in de christelijke kunst. Bloemen verwijzen in het algemeen naar schoonheid en vergankelijkheid. Geneeskrachtige kruiden verwijzen naar Jezus, die het heil der wereld brengt. Geurende planten verwijzen naar het goede en goddelijke.
Witte bloemen betekenen zuiverheid, reinheid en onschuld. Rode bloemen zijn een teken van liefde en lijden. Blauwe bloemen verwijzen naar de hemel, het mysterie en innige overgave. Gele bloemen zijn een symbool voor de zon, warmte en goud.

Mariabloemen
Een aantal bloemen worden Mariabloemen genoemd omdat ze lekker geuren, de Mariakleuren blauw of wit hebben, in de meimaand (Mariamaand) bloeien of omdat ze een eigenschap van Maria uitbeelden.
De bloem van de akelei kijkt naar beneden en beeldt zo ootmoed uit, een eigenschap van Maria. De akelei werd vroeger als geneeskrachtig kruid gebruikt tegen de bittere gal van geelzucht, als zinnebeeld diende het ter genezing van begeerte. De amandel wordt in de bijbel het beeld van bevestiging en uitverkiezing genoemd: Maria werd uitverkoren om de moeder van Jezus te worden. De anjer is het symbool voor liefde en lijden, het smalle onderste gedeelte van de bloem lijkt op de nagels waarmee Christus aan het kruis werd geslagen. Volgens een legende verscheen de anjer voor het eerst toen Maria haar tranen op aarde liet vallen tijdens haar tocht naar de plaats van de kruisiging: de Calvarieberg of Golgotha. De karmijnrode steenanjer wordt vaak afgebeeld bij de madonna met kind. De donkere vlekken op het blad van de cyclaam en het rode deel in het hart van de witte cyclaam herinneren aan het bloedend hart en verdriet van Maria. Wanneer Maria afgebeeld wordt met een tros druiven in de hand, wordt zij vergeleken met een wijnstok waarvan Jezus de vrucht is.

De goudsbloem richt zich op trouwe en gehoorzame wijze naar het licht en is daarom het symbool voor trouw en gehoorzaamheid, twee eigenschappen van Maria. De bladeren van de iris zijn zwaardvormig, dit herinnert aan het zwaard dat de door Maria’s ziel zou gaan. De jasmijn is een echte Mariabloem om haar geur, witte kleur en broosheid. Kamille is een geneeskrachtig kruid, speciaal voor vrouwenkwalen. Het wordt daarom moederkruid genoemd. Het komt vaak voor op oude schilderingen waar Maria, de Moeder Gods, is afgebeeld. Lavendel is een Mariabloem door haar geur en blauwe kleur. Het Lelietje van Dalen betekent heil en komst van Jezus, om haar geur en witte kleur. Het is ook een geneesmiddel bij de verstoring van het hartritme. De maagdenpalm betekent eeuwig leven, omdat de bladeren ook in de. winter groen blijven. De plant groeit goed in de schaduw en is om haar standvastigheid en blauwe bloemen een Mariaplant. De margriet heeft als volksnaam grote Mariabloem om haar witte kleur. De pioenroos wordt door haar geur en bloeiwijze vergeleken met een roos zon der doornen, een naam die ook aan Maria gegeven wordt. De zaden van de plant, als ketting bij zuigelingen om de hals gehangen, helpen tegen de pijn bij het tanden krijgen. De bloesembladeren en de wortel helpen tegen astma, epilepsie en jicht. Zeelieden werden door de pioenroos beschermd tegen de gevaren van de storm. Het sneeuwklokje betekent hoop. Volgens een legende werden Adam en Eva in, de winter uit het paradijs verdreven. Om Eva te troosten heeft een engel een sneeuwvlok veranderd in een sneeuwklokje om daarmee het einde van de winter en het begin van de lente aan te duiden. Zo werd de bloem een teken van hoop. Maria wordt wel aangeduid met de latijnse naam Spes mundi: hoop der wereld.

Het vergeet me nietje is een symbool voor trouw en door haar hemelsblauwe kleur en naam een echte Mariabloem. Volgens een legende vergat Adam haar een naam te geven. Voordat Adam wegliep hoorde hij haar snikken, zij kreeg toen de naam vergeet mij niet; opdat niemand deze bloem zou vergeten. Alchemilla heeft de volksnaam Onze Lieve Vrouwenmantel omdat op haar mantelvormige blad de dauw als parels blijft liggen.
De roos is een symbool voor liefde, de rode roos met doornen betekent lijden, de witte roos is een teken voor zuiverheid. Een roos met vijf bloemblaadjes betekent zwijgplicht en deze wordt soms boven een biechtstoel afgebeeld. De uitdrukking ‘sub rosa’, in vertrouwen, in geheim, is hiervan afgeleid. In de christelijke iconografie werd de roos als ‘koningin van de bloemen’ tot symbool van de hemelse ‘koningin Maria en van de maagdelijkheid. Alleen maagden mocht in de middeleeuwen rozenkransjes dragen. Maria is de roos zon der doornen. Volgens een legende hadden de rozen in het paradijs nog geen doornen. Zij zou den deze na de zondeval gekregen heb ben. Op voorstellingen van de Annunciatie, de aankondiging van de geboorte van Jezus door de aartsengel Gabriël aan Maria, is vaak een witte lelie te zien. Deze lelie heeft daarom de naam Madonnalelie gekregen. De symbolische betekenis van de lelie is onschuld, zuiverheid en reine maagdelijke liefde, door haar witte kleur, zoete geur en schoonheid. Het kleine viooltje heeft blauwe bloemen en betekent nederigheid en ootmoed, eigenschappen van Maria. De roos, de lelie en het viooltje zijn de Mariabloemen bij uitstek.

De stichter en eerste abt van Clairvaux, Sint Bernardus, zegt dan ook:
“0 Maria, viooltje van ootmoedigheid, lelie van de zuiverheid, roos van de liefde”.

Gelezen:
Symbolische bloemsierkunst, Aad van Uffelen en Tini Brugge.
24 Christelijke Symbolen, geknipt en verklaard door S.S. Smeding.
Merklappen en hun symboliek, Albarta Meulenbelt Nieuwburg.
Prisma van de Symbolen, Hans Biederis

Knipsels door Rieny van Beek.
Dit artkikel verscheen eerder in Knip-Pers 1994-1.

Ik kan helemaal niet tekenen!

Door Kees de Bruïne

De keizer van China had al te lang aan moeten kijken tegen een lege plek aan de muur tegenover zijn troon. Hij zond zijn minister naar de schilder Peng om een mooi schilderij van een haan te bestellen. Hij regeerde door, en na een maand vroeg hij zijn minister of het schilderij al bezorgd kon worden. De minister kwam terug met de boodschap “nog niet”. De keizer regeerde door, met zijn blik gedurig op die lelijke plek. Na enkele maanden zond hij zijn minister opnieuw uit, en opnieuw was het antwoord: “nog niet”. De keizer regeerde door; en telkens opnieuw zond hij zijn minister naar Peng, en telkens kwam de minister terug met de boodschap: “nog niet”.

Toen, na twee jaar wachten, werd de keizer boos. Hij hield even op met regeren en ging zelf naar Peng. Hij bel de aan en de schilder deed open. Hij herkende de keizer onmiddellijk van de postzegels en diep buigend leidde hij zijn hoge gast zijn atelier binnen. De keizer ging zitten en zei meteen: “Waar is mijn haan?” Peng knikte. Hij zette een vel wit pa pier op de ezel, doopte zijn penseel in de inkt en toverde binnen een kwartier een haan op het papier, zo mooi als de keizer nog nooit gezien had. Toen de vorst van zijn ver- en bewondering bekomen was, zei hij: “Peng, dit is de mooiste haan die ik ooit ge zien heb. Maaréé n ding begrijp ik niet: twee jaar lang kreeg ik de boodschap “nog niet” – en nu maak je dit wonderschone schilderij binnen een kwartier. Hoe zit dat?”
Peng antwoordde: “Sire, wilt u eens om u heen kijken?”
Toen zag de keizer wat hij in zijn haast niet had opgemerkt: overal, op elk plekje aan de muur, tegen het plafond, op de grond, overal waren tekeningen van hanen. Om in een kwartier een haan zó mooi te kunnen schilderen, had de schilder twee jaren lang geoefend.

Wel, het verhaal loopt natuurlijk goed af. Peng werd in de adelstand verheven, hij kreeg de helft van het keizerrijk en mocht trouwen met de mooie prinses Sela. Zij stichtten de dynastie der Pengselen, waaruit vele beroemde schilders, tekenaars en ook knippers zijn voortgekomen. Een knipper of knipster geeft een demonstratie. Hij of zij knipt uit de vrije hand twee zwaantjes in het riet. “Oh!” zegt iemand bewonderend, “dat zou ik nou nooit kunnen, zo even gauw zo iets moois maken. En ik kan ook hele maal niet tekenen!”

Wat de passerende beschouwer niet beseft is dat de knipkunstenaar die zwaantjes misschien al honderd keer heeft geknipt -misschien heeft hij of zij voor de eerste keer die zwaantjes getekend, en daarna uitgeknipt om de schaar te laten wennen aan de sierlijke ronding van de zwanenhals en de buigingen van het riet. Ik ken vele beeldschone knipsels, met prachtige bloem- en bladmotieven, en daar is heel vaak ook een symboolfiguur in verwerkt: een duif, een zwaan, paard, haan en soms ook mensen. Maar dan zie ik dat die wezens vaak misvormd zijn en nauwelijks herkenbaar zijn.
Daarom een tip.

Teken een duif. Teken hem na desnoods van een foto of een goede tekening. Teken het dier tientallen keren totdat het een duif is geworden. Die tekening knip je uit.

Knip die duif tientallen malen; klein, groot of in middelmaat, maar: laat het een duif zijn! En geen rafelige kraai. Een zwaan, en geen te water geraakte kip! Een haan, geen ragebol met een snavel. Een paard, geen mismaakte pitbull. Tekenen, en dus ook knippen, is allereerst: kijken, zien. “Leer knippende zien”! hield mevrouw Kerp ons voor. Ik voeg er het tegenovergestelde aan toe: Leer ziende knippen! Gebruik je ogen, kijk naar de dieren, mensen, planten. En dan: oefenen, duizenden keren. Net als Peng.