Auteursarchief: admin

Prikwerk in het Knipkunstmuseum, deel 2

In onze verzameling prikwerk bevindt zich een devotieprentje, van de heilige Anna, de moeder van Maria en de grootmoeder van Jezus. [voorpagina] In een cartouche in het midden zit Anna, die zich overbuigt naar Maria die naast haar staat. Het “prentje is verder versierd met rozentakjes, sneedjes en de grotere vlakken zijn met prikwerk opgevuld. Onder de afbeelding staat in schrijfletters St. Anna. Op de achterkant staat ter hoogte van de cartouche: “Ter gedagtenis Uwer eerste Communie, ontvangen van den Eerwaarden Heer G. van Lieshout, Pastoor in de Sint Joris Steeg. Leyden 5 Julij 1808.

In de loop van de 16de eeuw werden dit soort prentjes veelal in vrouwenkloosters gemaakt. Doordat de boekdrukkunst een hoge vlucht nam, kregen steeds meer kloosters toestemming om in plaats van boeken te kopiëren en te verluchten deze devotieprentjes, “santjes werden ze later genoemd, te gaan maken. In later eeuwen werden ze machinaal gemaakt (gestanst). Ons priksel stamt uit de laatste fase van het handgemaakte werk.

Wie was deze heilige Anna nu eigenlijk? In de bijbel komen we haar nergens tegen. Ze is uitsluitend bekend uit apocriefe boeken. De oudste vermelding van Anna komt voor in het Proto-evangelie van Jacobus, dat omstreeks het jaar 150 moet zijn ontstaan. In dat boek worden voor het eerst de ouders van Maria genoemd, Anna en Joachim. Kort samengevat luidt de legende als volgt. Anna en Joachim zijn al meer dan 20 jaar getrouwd en hebben tot hun verdriet nog steeds geen kinderen. Als het Joachim daarom op een dag in de tempel door een priester verboden wordt een offer te brengen, trekt hij de woestijn in waar hij 40 dagen verblijft. Op een dag verschijnt er een engel in de gedaante van een jongeman en als deze hoort waarom hij daar zit, kondigt hij aan dat Anita en hij een dochter zullen krijgen en dat hij naar huis moet gaan. Anna heeft intussen een soortgelijke boodschap gekregen en wacht Joachims thuiskomst af bij de Gouden Poort in Jeruzalem. Negen maanden later wordt Maria geboren.

De ontmoeting van Anna en Joachim is veelvuldig in beeld gebracht door kunstenaars. Anna behoort tot de reeks van aanvankelijk onvruchtbare vrouwen die op latere leeftijd nog een kind krijgen net zoals Anita’s eigen dochter Maria, Sarah, Rachel en de moeder van Samuel. In het Oosten stond dit Jacobusevangelie in hoog aanzien. Pas in de 16de eeuw werd het door een Fransman meegebracht naar West Europa, maar in de voorafgaande eeuwen waren er al wel Latijnse bewerkingen waarmee westerse theologen zich bezig hielden en zoals het met overgeleverde verhalen vaak gaat, voeg de ieder weer iets toe, compleet met een verklaring. Volgens de legende zou Anna na Joachims dood nog tweemaal getrouwd zijn, met respectievelijk Cleophas en Salomas en zou ze nog meerdere kinderen en kleinkinderen gekregen hebben waaronder Maria Cleophas (4 zonen) en Maria Salomas (2 zonen). Deze kleinzonen komen we in de bijbel tegen als discipelen van Jezus. Deze was dus tijdens zijn leven omringd door minstens zes neven. Behalve over de afstamming van Maria en Jezus ontstond er onder theologen ook strijd over abstracte theologische vraagstukken. Dit alles deed de legendevorming onder het gewone volk geweldig toenemen. Er ontstond een ware cultus rond Anita. Men gaf haar naam aan kerken, kloosters, kapellen, altaren, broederschappen, rederijkerskamers, gilden en er werden bedevaartsoorden gevestigd en relieken verzameld. Ze werd de patrones van moeders, van zwangere vrouwen, van huwelijk en gezin en van weduwen Haar patronaat strekte zich uit van dienstboden tot bezembinders, wevers, vrouwen die linnen en wol vervaardigen, marskramers, eigenlijk tot elk beroep dat maar in de verste verte iets met het huishouden en het gezin te maken had. De cultus bereikte omstreeks 1500 haar hoogtepunt. Talloze malen is ze afgebeeld zowel door schilders als beeldhouwers. Soms wordt ze met haar hele familie afgebeeld, de Heilige Maagschap

de Heilige Maagschap 

dan weer samen met Maria en heel vaak met Maria en Jezus samen, de zgn. Anna-te-Drieën waarbij het Christuskind op Maria’s schoot zit en zij op haar beurt op Anna’s schoot, vaak ook afgebeeld als (ouder) kind.


Op afbeeldingen draagt Anita een zgn. hoofd-kindoek op de manier waarop veel moslimvrouwen hem nu nog dragen en daaroverheen een sluier die los over haar schouders valt. Als de sluier midden op het hoofd een kneep heeft, wordt daar de weduwenstand mee aangegeven. Op schilderijen draagt ze vaak een rode jurk met een groene mantel erover. Als attribuut heeft ze een opengeslagen boek of ook wel een druiventros bij zich. Het boek wijst naar haar rol als opvoedster, de druiven tros naar de wijn, symbool voor het bloed van Christus.

 

Vogel

Dit priksel stelt waarschijnlijk een parkiet voor, gezien de korte, dikke, haakvormige snavel, het slanke lichaam met een lange staart en de korte naar achter geplaatste poten. Hij zit op een tak waarvan het brede uiteinde meer weg heeft van een boomstam. Door het ontbreken van meer details en kleur valt er verder niets te determineren. Het werkje is niet gesigneerd en ook niet gedateerd. Interessanter dan de afbeelding is het mooie, gave watermerk dat in het papier aangebracht is. Het stelt een zittende vrouwenfiguur voor die een lans met hoed erop vasthoudt. Daarnaast staat een leeuw met in zijn opgeheven linkerpoot een zwaard en in zijn rechterpoot een bundel pijlen. Het geheel is omgeven door een lage palissade die met een hekje middenvoor gesloten is. Rechts boven deze afbeelding staan de letters Pro Patria. Dit watermerk kon me misschien een aanwijzing geven omtrent de periode waarin het papier gemaakt is en waar. Om daar meer over te weten te komen heb ik contact gezocht met de Koninklijke Bibliotheek (K.B) in Den Haag. De heer H.J. Porck, conservator van de papierhistorische collectie, kon na een korte beschouwing al vaststellen dat het papier omstreeks 1818/1820 gemaakt moet zijn en dat het hoogstwaarschijnlijk om handgeschept papier gaat. Het productieproces van zulk papier verliep als volgt. In een ronde of ovale kuip werden vermalen lompen vermengd met water zodat een dikke pap ontstond.

Voor het scheppen werd een schepraam gebruikt. Het bestond uit een raam van waterbestendig hout voorzien van houten ribben die aan de bovenkant heel smal toeliepen. Dwars op deze ribben waren dunne koperdraden (de vergeuredraden) gespannen die met heel dun draad op de ribben vastgemaakt werden. Zo werd ook het watermerk bevestigd.

Om de vorm heen sloot het deksel, een houten lijst die moest voorkomen dat de vloeistof meteen wegliep. Door het schepraam te schudden werden de papiervezels gelijkmatig verdeeld. Als het water eruit gedropen was, kon het deksel verwijderd worden en moest het natte papier nog diverse behandelingen ondergaan. In handgeschept papier zien we de afdruk van de vorm, dikke lijnen van de ribben (de ketting) en dunne lijnen van de koperdraden (de vergeure of zeeflijnen) en het watermerk. Voor dit prikwerk is handgeschept, gevergeerd (met zichtbare vergeure) papier gebruikt. Dat het papier van dit prikwerk uit het begin van de 19de eeuw stamt is te zien aan het ontbreken van schaduwlijnen bij de ketting. Voor 1800 waren die altijd te zien, omdat erbij het scheppen wat van de papierbrij tegen de kettingsteunen achter bleef. Door verbetering van de schepramen (smallere kettingsteunen) kwam dat na 1800 niet meer voor. Handgeschept papier wordt tegenwoordig alleen nog in bijzondere gevallen gebruikt, bv. voor notariële akten of oorkonden.

Na de beoordeling van het papier kwam het watermerk aan de beurt. In enkele boeken geheel gewijd aan dit onderwerp vond ik talloze Pro Patria watermerken. Het blijkt een zeer veel gebruikt watermerk te zijn. Niet bij allemaal stonden de contramerken erbij, d.w.z. de initialen van de eigenaar van de papiermolen of de papiermaker. In ons priksel komt zo’n contramerk helaas ook niet voor. Vaak staat het ver van de afbeelding vandaan en gaat het verloren als er maar een gedeelte van het papier gebruikt wordt. Over de oorsprong van het Pro Patria watermerk vertelt H. Voorn in zijn boek “Papiermolens in Noord-Holland’ dat het embleem uit het begin van de 15de eeuw stamt en dat het later het symbool werd voor de Zeven Verenigde Provinciën. De maagd is afgebeeld als gehelmde Pallas Athene, de hoed op de lans is het vrijheidssymbool. De palissade wordt “tuin” genoemd (vgl. het Duitse woord “Zaun”, dat omheining betekent). De tuin werd een symbool voor de Hollandse vrijheid, nadat graaf Willem VI van Holland in 1405 een dergelijke tuin (omsingeling) had gebruikt bij de belegering van kasteel Hagestein bij Vianen, zo wil het verhaal. Vanaf die tijd toon de het zegel van de Hollandse graven een leeuw in een tuin en aan het einde van de 17de eeuw komt Pro Patria als watermerk voor. Het wordt ook “Hollandia”, “Hollandse Maagd” en “Dordtse Maagd” genoemd. In de eerste helft van de 18de eeuw is het heel populair, in de tweede helft neemt die populariteit wat af, maar in de eerste helft van de 19de eeuw leeft die weer op. Allerlei papiermolens in heel Neder land hebben het gebruikt. Helaas kwam geen enkele afbeelding in “De papiermolens van Nederland” overeen met die in ons prikwerk. Misschien aardig om te vermelden is, dat ik op de merklappententoonstelling “Merkwaardig, vrouwenwerk van alle tijden” die in april en mei 2003 in museum Het Catharina Gasthuis in Gouda gehouden werd, een aantal malen de leeuw in de Hollandse tuin, maar zonder de Hollandse maagd, aantrof. Het kwam op mij over als een uiting van verlangen naar rust en vrijheid, een stil protest tegen alle gebeurtenissen uit die roerige tijd van onze geschiedenis, die het dagelijks leven van de burgers, vooral van de vrouwen, beslist niet gemakkelijker maakten.

De gekleurde bloem

In dit priksel zit ook het watermerk Pro Patria. Het gebruikte papier stamt uit de tweede helft van de l8de eeuw. Hier zijn behalve de kettinglijnen en de zeeflijnen duidelijk schaduwlijnen te zien langs de ketting waar een beetje van de papiermassa achtergebleven is bij het scheppen, het is dus gevergeerd papier. Zelfs is te zien waar een waterdruppel op het nog natte papier is gevallen tijdens het verwijderen van het schepraam. Door de kracht van de vallende druppel ontstond een putje dat wij nog zien als een dunne plek in het papier. Het watermerk is te herkennen, maar omdat het precies op de plaats van het prikwerk zit zijn de details niet te onderscheiden. Het werkje laat een fantasiebloemstengel zien met vier verschillende bloemen en twee soorten blaadjes. Na het prikken is het met waterverf of gekleurde inkt ingekleurd. Twee bloemen zijn oranjebruin, twee donkerrood en het kleinste bloemetje is geel. Van de blaadjes zijn de onderste drie zwaar beschadigd, alleen de omtrek is er nog, de rest is weg. Deze beschadiging trok direct de aandacht van de heer Porck. Het toeval wil namelijk dat op de restauratieafdeling van de K.B. op het ogenblik onderzoek gedaan wordt naar “groenvraat”, een beschadiging die veroorzaakt wordt door het koper in sommige groene pigmenten, dat het papier aantast. Een soortgelijk proces als bij het veel bekendere “inktvraat” waarbij het ijzer in oude inkten zich als het ware door het papier heen vreet en letters en lijnen op den duur helemaal doet wegvallen. Het verschijnsel is in de K.B. aangetroffen in atlassen bij de groene gebieden op de kaarten, maar ook bij ingekleurde prenten in oude boeken en verluchte handschriften. Koperhoudende verbindingen in groene pigmenten versnellen het normale, langzaam verlopende verouderingsproces van papier door oxidatie van de cellulosemoleculen waaruit het papier opgebouwd is aanzienlijk. Aan de achterkant van het papier verschijnt eerst een doorslag van de groene delen, dan treedt een verkleuring van groen naar bruin op en tenslotte valt het papier uit elkaar. Dat laatste is bij ons prikwerk dus al het geval bij de onderste bladeren en bij de bovenste is de verkleuring aan de achterkant reeds te zien. Externe factoren zoals de zuurgraad van het papier, het gebruikte bindmiddel en de bewaaromstandigheden (licht, luchtvochtigheid, temperatuur) kunnen de ernst van de schade nog vergroten. Op dit moment is er nog geen behandelingsmethode gevonden om het oxidatieproces te stoppen of zelfs maar af te remmen. Het probleem is dat het koper een essentieel bestanddeel van de groene kleur is en dus niet verwijderd kan worden. Internationaal wordt naarstig naar een oplossing gezocht. Zo werd een priksel, dat ik zelf eigenlijk het minst interessant vind toch een belangwekkend object, helaas wel naar aanleiding van een onherstelbare beschadiging. Een kopie ervan is toegevoegd aan de verzameling voorbeelden van “groenvraat” van de restauratieafdeling van de K.B.

door Atty Broer

geraadpleegde literatuur
– “Heilige Anna, grote moeder(…)“ tentoonstellingscatalogus Museum voor Religieuze Kunst, Uden 1992
-“Christelijke symboliek en iconografie”, Prof. dr. J.J.H. Timmers, 1987
– “De papiermolens van Nederland”(3 delen), H. Voorn ,1960,1973,1985
– “Watermarks in paper in the XVII en VIII Centuries” W.A. Churchill
– “Ik zie, ik zie wat jij niet ziet en de kleur was groen!” artikel van Dr.H.J. Porck, Den Haag 2003.

Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief van het Nederlands museum van knipkunst en de Stichting W. Tj. Lever 2003-2

Prikwerk in het Knipkunstmuseum, deel 1

Papierprikken. Wie herinnert het zich met uit zijn kindertijd, met een prikpen figuurtjes uitprikken of de bekende prikkaarten op de aangegeven plaatsen doorprikken en daarna met borduurzijde afbeelding opfleuren. Dat ook tegenwoordig deze vorm van prikken naar voorbeelden weer druk beoefend wordt blijkt uit het grote aanbod van ‘ornare’ (letterlijk: versieren), ‘perfomare’ (of sierprikken) en “embossing” (letterlijk: reliëf aanbrengen) pakketjes in hobbywinkels.

Deze technieken leveren -al of niet gecombineerd- een leuk resultaat op, maar jammer is dat door het veelvuldig gebruik van voorbeelden en sjablonen weinig aan de eigen creativiteit geappelleerd wordt. Een creatievere vorm van prikken kwam ik tegen in Het complete papierboek van Inge Evers (Cantecleer, 1991). Die wordt “picotage” (letterlijk: prikken in) genoemd. Met waterverf of ecoline wordt een vrije tekening gemaakt, die daarna al prikkend met details en accenten aangevuld wordt. De prikpen en andere scherpe voorwerpen zoals spijkers worden als tekenpen gebruikt.

Het zal duidelijk zijn dat het bij het prikwerk in het Nederlands Museum van Knipkunst niet om bovengenoemde vormen gaat. Het museum bezit enkele fraaie stukken die als zelfstandig kunstwerk beschouwd kunnen worden. Twee zijn gemaakt ter gelegenheid van een huwelijk (1820), verder een prachtig schip (ca.1820), een portret van prins Frederik (ca.1817) en nog enige kleinere werkjes. Over deze kunstvorm is niet meer bekend dan dat deze eind 18de, begin 19de eeuw opduikt en populair wordt. In de literatuur over papierkunst is er zover ik tot nu toe kon nagaan vrijwel geen aandacht aan besteed. De komende tijd zal ik me gaan bezig houden met dit onderwerp en in het bijzonder met de achtergrond van de stukken in ons museum. In de Nieuwsbrief zal ik in feuilletonvorm verslag doen van mijn bevindingen.

In het boek Spitzenbilder, Papierschnitte, Portratsilhouetten van Max Bucherer (Dachau,1920) worden onder andere devotieprentjes beschreven, handgemaakte plaatjes, die aanvankelijk alleen door kloosterlingen, mannen en vrouwen, gemaakt werden. De oudst bekende plaatjes stammen uit de 14de en 15de eeuw en zijn van perkament. De afmeting is meestal ongeveer 10 x 15 cm. Om de centraal staande religieuze afbeelding (vaak een heilige) werd een versiering aangebracht in borduurwerk, knip-snij-en prikwerk, schilderwerk, haarwerk en zelfs vlindervleugels en spinnenwebben werden toegepast. Prikwerk werd vooral gebruikt om grotere vlakken in te vullen.

Vanaf de 16de eeuw gingen ook leken buiten de kloosters zich met de productie van deze prentjes bezig houden en hoewel ze die op den duur ook machinaal gingen vervaardigen, bleef het handwerk bestaan. Vooral in Beieren en Oostenrijk werden tot het einde van de 18de eeuw prachtige Spitzenbilder en naar  mate er meer geprikt was Nadelstichbilder gemaakt. De naam geeft al aan hoe fijntjes ze bewerkt waren (Spitzen=kant). In Zuid-Duitsland en Oostenrijk zijn bekende verzamelingen uit kloosters bewaard gebleven die zich nu in musea bevinden. Daaronder zijn ook grotere exemplaren van wel 22 x 33 cm.

In de alba amicorum, de vriendenboekjes die in de 17de en 18de eeuw in de mode waren onder jongelui van gegoede huize waarin ze teksten, gedichtjes, tekeningen, goede wensen, e.d. van vrienden en of leermeesters verzamelden, kwam ook wel prikwerk voor. Maar dat zijn meestal toch geen op zichzelf staande kunstwerkjes. Blijkbaar was prikken, evenals bijvoorbeeld het maken van silhouetten aanvankelijk een geliefde bezigheid van jongelui uit hogere kringen. Aan het einde van de 18de eeuw werd ook het maken van diorama’s en illuminatieprenten populair. Men prikte van een prent dan bepaalde gedeelten door en andere niet, of veel minder. Het werk werd in een houder gezet voor een lamp. Overdag zag je de hele prent, maar ‘s avonds als het lamplicht er doorheen scheen zag je alleen het deel dat doorgeprikt was. In zogenaamde illuminatiekasten kon je ook overdag dat effect al bereiken. Een mooi voorbeeld van zo’n diorama is een ets van Den Haag met een marktplein en een kerk en het stadhuis op de achtergrond (begin 20ste eeuw).

Afbeelding: Inter-Antiquariaat Mefferdt & De Jonge

Afbeelding: Inter-Antiquariaat Mefferdt & De Jonge

Bij de ontwikkeling tot zelfstandig kunstwerk zouden de sponsen van tegelbakkers een rol gespeeld kunnen hebben. Een spons (pons, ponsief) is een blad papier ter grootte van een tegel of tegeltableau met daarin het doorgeprikte decor.

Het decor kan een eigen ontwerp van de tegelschilder zijn of een bestaande afbeelding, bij voorbeeld een ets of gravure. Soms worden alleen de hoofdlijnen doorgeprikt, maar meestal wordt de tekening zeer nauwkeurig doorgeprikt. De spons wordt dan op de al van witbakkend glazuur voorziene tegel gelegd en met een zakje koolpoeder (van tijk) gedept, zodat de tekening in fijne stipjes op de tegel komt.

Daarna volgt de zgn. trek waarbij met een heel fijn penseeltje, met vaak maar één haar, de stipjes verbonden worden. Daarna wordt het proces vervolgd met inkleuren, glazuren en bakken. Sponsen werden met twee of drie tegelijk geprikt en konden 1000 tot 2000 keer gebruikt worden (ontleend aan De Nederlandse Tegel van Jan Pluis, Leiden, 1997) Op soortgelijke wijze worden ook wel borduurpatronen overgebracht op fijne stof. Een medewerkster van het Fries Museum in Leeuwarden vertelde dat het werken met sponsen al bekend is vanaf het begin van de 16de eeuw, de tijd waarin in ons land en in Vlaanderen de eerste tegelbakkerijen ontstonden. Uit die tijd stammen al modellenboeken waarin ook motieven uit Spanje en het Midden Oosten voorkomen. Het is niet onwaarschijnlijk dat de techniek van het doorstuiven van patronen ook daar gebruikt werd. In het Nationaal Keramiek Museum, het Princessehof in Leeuwarden, heb ik een groot aantal sponsen mogen bekijken. Stuk voor stuk waren het prachtig geprikte tekeningen. Waarom zou er nu niet iemand op een gegeven moment zo’n geprikte tekening in een lijstje hebben gezet en zo het eerste prikkunstwerk hebben bezeten? Een goede tekenaar die het zag kan op het idee gekomen zijn het potlood eens te verwisselen voor een prikpen en zo de “uitvinder” van het prikkunstwerk geworden zijn. Dit is maar mijn eigen veronderstelling, ik heb geen publicatie kunnen vinden waarin prikwerk als zelfstandige kunstvorm vermeld wordt.

door Atty Broer

Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief van het Nederlands museum van knipkunst en de Stichting W. Tj. Lever, 2003-1

Christelijke symbolen III

Door Rieny van Beek

Deugden en ondeugden
Reeds in de vierde eeuw na Christus treffen we in de christelijke tradities de gedachte van de zeven deugden met daar tegenover de zeven ondeugden of hoofdzonden aan. Tot de deugden rekent men de drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde en de vier kardinale deugden: standvastigheid, rechtvaardigheid, matigheid en voorzichtigheid. Deze deugden samen vormen een zevental, wat het getal der volmaaktheid is.

De zeven ondeugden zijn: hovaardij, gierigheid, nijd, toom, onmatigheid, luiheid en onkuisheid.

In het algemeen worden de deugden en ondeugden voorgesteld als een vrouwelijk persoon met één of meer attributen. Dit verschijnsel noemt men personificatie. In de Middeleeuwen worden vaak de deugden en ondeugden als elkaars tegengestelden afgebeeld om daarmee de mens te waarschuwen op het rechte pad te blijven. In de 17e eeuw zien we afbeeldingen van deugden op preekstoelen verschijnen, als oproep tot het leiden van een goed leven.

De drie goddelijke deugden
De drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde vinden we in de bijbel in 1 Korinthe 13.

  

Liefde
De liefde tot God wordt afgebeeld als een vrouwenfiguur met een brandend hart: vurige liefde. De liefde tot de naaste komt tot uitdrukking in de zeven werken van barmhartigheid, dit zijn: het laven van dorstigen, het voeden van hongerigen, het bezoeken van gevangenen, het vertroosten van zieken, het herbergen van reizigers en liet kleden van naakten. Aan deze zes liefdewerken wordt sinds de 13e eeuw toegevoegd: het begraven van doden.

Geloof
Het geloof wordt voorgesteld als een vrouw met als attributen: kruis, beker en boek. Het kruis verwijst naar het offer van Christus en zijn opstanding; de beker wijst naar het avondmaal; het boek of de wetstafels wijzen naar het woord van God, wat de grondslag van het christelijke geloof is.

Hoop
De hoop is door de eeuwen heen afgebeeld als een vrouwenfiguur m als attribuut een anker. Dit vindt zijn grond in Hebreeën 6, waar in de hoop beschreven wordt als anker der ziel, veilig en vast. In de Middeleeuwen heeft de hoop nog verschillende attributen, zoals schop, sikkel en hoorn des overvloeds, verwijzend naar de hoop op een goede oogst; een vogelkooi, verwijzend naar de hoop op vrijheid; en een schip, wat wij St naar de hoop op een behouden thuis komst.

De vier kardinale deugden
De oorsprong van deze deugden is te vinden in én van de apokriefe (=verborgen) boeken, die bekend is als “De Wijsheid van Salomo”. Daarin staat: deugden zijn het resultaat van de inspanning der wijsheid. Want zij leert: matigheid, voorzichtigheid, rechtvaardigheid en standvastigheid.

Voorzichtigheid is een vrouw met als attribuut een slang of spiegel. De slang wijst naar Mattheus 10:16, weest dan voorzichtig als de slangen. De spiegel is een verwijzing naar zelfkennis.

Rechtvaardigheid wordt afgebeeld als een vrouw met weegschaal en zwaard als attribuut, sinds de 16e eeuw bovendien geblindoekt. Dit wijst er op dat rechtvaardigheid zonder aanzien des persoons te werk gaat. Deze personificatie van het recht zien we nu nog steeds in gebruik bij gerechtsgebouwen als “vrouwe justitia”.

Matigheid wordt voorgesteld als een vrouw met als attributen allerlei meetwerktuigen zoals passer, liniaal en zandloper. Dit betekent dat zij de juiste maat moet meten. Een zandloper geeft soms ook aan de VERGANKELIJKHEID van het leven, dit in combinatie met een cirkel, wat dan de EEUWIGHEID voorstelt.

Standvastigheid is een vrouw, vergezeld van een pilaar, de drager van een kathedraal. Soms wordt STERKTE als laatste deugd genoemd in plaats van standvastigheid. Dan zien we de leeuw of de stier als attribuut; dit wijst op lichamelijke kracht.

De Stier is ook een egyptisch symbool voor VRUCHTBAARHEID.

De Leeuw heeft meerdere betekenissen. Wanneer de leeuw vecht met een draak symboliseert hij het goede. Wanneer de leeuw een lam aanvalt is hij juist het tegenovergestelde: het kwade. Eén of twee leeuwen als standbeeld bij een deur of ingang geven de leeuw de betekenis van deurwachter en zijn zo symbool voor WAAKZAAMHEID.

Nog twee deugden

Snelheid Het symbool van de snelheid is de arend.

Een voorbeeld van dit symbool is te vinden in Tel Aviv in Isra Daar staat, een standbeeld, opgericht voor de strijders van de zesdaagse oorlog (1967). Het stelt de arend en de leeuw voor. Eronder staat de tekst: “Zij waren sterker dan leeuwen, sneller dan arenden.”
Een andere betekenis van de arend of adelaar zien we in de heraldiek. Daar is de adelaar evenals de leeuw het symbool van koninklijke macht.

Waarheid Symbool voor de waarheid is een vrouwenfiguur met de attributen palmtak, boek en wereldbol. De palmtak (ook wel lauwerkrans) wijst op de OVERWINNING van de waarheid op de leugen. Het boek wijst op de bijbel, waarin de waarheid te vinden is. De wereilbol geeft aan dat de waarheid in de wereld het meeste waard is. Ook een symbool voor de waarheid is de zon: de waarheid houdt van het licht, de leugen van het duister. De zon is ook een symbool voor God, die waarheid is. Jezus zegt: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.

Zo is de zon ook een symbool voor Christus, te lezen in Maleachi, waar geschreven wordt over de Christus als de “Zonne der Gerechtigheid”. In de 19e en 20e eeuw zijn de attributen, die de vrouwenfiguren vergezellen, steeds meer een eigen leven gaan leiden en het symbool voor de deugd geworden. De drie goddelijke deugden zijn daarvan het bekendste voorbeeld. Geloof, hoop en liefde beelden wij nu af als kruis, anker en hart.

In het hierboven afgebeelde knipsel zijn deze deugden verwerkt en aangevuld met symbolen uit een vorig artikel, zoals lelie (barmhartigheid), roos (kuisheid), pauw (onsterfelijkheid), duif (vrede) en haan (waakzaamheid).

Literatuur:
Klaas Dijkstra: Christelijke symbooltaal.
30 Plaatjes met christelijke symbolen, op de achterzijde kort toegelicht, een uitgave van de Vereniging tot Verspreiding van de Heilige Schrift.
Fritz Griebel: Zeichen der Christenheit.

Knipsels door Rieny van Beek.
Dit artkikel verscheen eerder in Knip-Pers 1986-2.

Christelijke symbolen II

Door Rieny van Beek

Bloem en plant als symbool.
In de tijd van Jezus’ wandeling op aarde heeft hij veel beelden en voorwerpen van toen gebruikt om op zichzelf te betrekken. Hierin liggen ook voor ons symbolen verborgen. Een voorbeeld hiervan is het woord van Jezus: “Ik ben de ware wijnstok” (Joh 15 : 1—8), symbolisch weergegeven als WIJNRANK MET DRUIVENTROSSEN. Het betekent: de wijnstok is het symbool voor Jezus en de ranken zijn de gelovigen. Een tweede voorbeeld is: “Ik ben het brood des levens” (Joh. 6 : 35), symbolisch weergegeven als een KORENAAR. Deze twee symbolen samen zijn tevens een symbool voor het avondmaal, dat bestaat uit brood en wijn (lichaam en bloed van Christus).

BLOEMEN verwijzen naar de vergankelijkheid van het menselijk leven.
DOORNSTRUIKEN en DISTELS zijn het beeld voor het kwaad en ondeugd. Twee, bloemen die vaak voorkomen in de christelijke symbooltaal zijn de lelie en de roos.
De LELIE is het symbool van de barmhartigheid en het symbool voor de maagdelijkheid. De lelie komt vaak voor in afbeeldingen van de Annunciatie, de aankondiging van de geboorte van Christus aan Maria door de engel Gabriel, als verwijzing naar de maagdelijke geboorte.
De betekenis van DE ROOS overlapt die van de lelie ten dele. Ook de roos is een symbool voor de maagdelijkheid. Een Witte roos is symbool voor kuisheid en een rode roos is een verwijzing naar -de martelaren, die hun leven hebben gegeven omwille van hun geloof. Symbool voor Maria is roos zonder doornen.

Het Kruisteken
In het Christendom neemt het kruis een centrale plaats in. Het wijst allereerst naar het lijden en sterven van Christus, maar tevens naar zijn opstanding op de derde dag. Zo zijn dood en leven in het kruis verenigd. In de christelijke verkondiging is het kruis het symbool van de verlossing en de overwinning op de dood en teken van zegening en genade.

Voor de eerste christenen was het gevaarlijk om het kruisteken te gebruiken, daarom zochten zij liever naar bestaande symbolen en gaven die een christelijke betekenis. In het ANKER zien zij een verborgen kruisvorm, waaraan men later de naam ankerkruis geeft. Het anker is het symbool voor de hoop, deze werd door de eerste christenen betrokken op de zinvolle kruisdood van Jezus. Het ankerkruis verwijst naar de hoop op een beter leven in een andere wereld, waarvoor het sterven van Christus nodig was.

ankhteken

Een tweede kruisvorm waaraan men een christelijke betekenis gaf is het ANKH-teken. Dit is een teken uit het egyptische hieroglyfenschrift en betekent leven. Het krijgt later de naam hengselkruis. In 313 werd het christendom staatsgodsdienst door toedoen van de romeinse keizer Constantijn en doet het KRUIS zoals wij het kennen zijn intrede. Uiteindelijk zien we twee kruisvormen ontstaan:

het LATIJNSE KRUIS voor het westerse christendom en het griekse kruis voor het oosterse christendom. Als laatste kruisvorm: een GRIEKS KRUIS IN EEN CIRKEL.

De plaats van ontstaan is onzeker. De cirkel, zonder begin en eind, is symbool voor de eeuwigheid, maar ook verwijzing naar de wereld of kosmos. Wanneer dit gecombineerd wordt met het kruis, geeft het een symbool met verschillende betekenissen.

Nauw verbonden met het kruisteken is het christusmonogram. Dit bestaat uit de eerste twee griekse letters van het woord Christus. Christus is het griekse woord voor gezalfde en de hebreeuwse vertaling van het woord messias. In griekse letters schrijf je het zo:
De combinatie van de eerste twee letters wijst naar de persoon van Christus. Wanneer er ook nog een horizontale balk toegevoegd wordt, wijst het tevens naar de dood en opstanding van Christus. Ook dit christogram dateert uit de tijd van christenvervolgingen. Tegenwoordig wordt dit teken nog vaak gebruikt, soms met de letters “alpha” en “omega” erbij, de eerste en laatste letter van het griekse alfabet. De betekenis hiervan is te vinden in openbaringen 1 : 8, waar staat: “Ik ben de alpha en de omega, zegt de Here God, die is en die was en die komt, de Almachtige”.
Deze letters verwijzen zo naar de almacht van God.

Literatuur:
Christelijke symbooltaal van Klaas Dijkstra.
Symbols, Signs and Signets van Erngt Lehner.
Bijbels woordenboek van Frithiof Dahlby, vertaald door J.M. Vreugdenhil.

Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 1986-1

Christelijke symbolen

Door Rieny van Beek

Christelijke symboliek is ontstaan rond het begin van onze jaartelling. De eerste Christenen trachtten zich onder moeilijke omstandigheden een plaats te veroveren temidden van de andere wereldgodsdiensten. De Romeinen zien in het Christendom een bedreiging en verbieden deze godsdienst. Christenen worden om hun geloof vervolgd en gedood, daarom is het een hachelijke zaak om openlijk voor hun geloof uit te komen. Dus zoeken de eerste christenen naar symbolische voorstellingen en voor werpen om contact met elkaar te onder houden. Dit is niet zo gevaarlijk omdat de voorstellingen en voorwerpen in eerste instantie een andere betekenis hebben.

In de Middeleeuwen zien we ook veel symbolen ontstaan. Omdat de meeste mensen in die tijd niet kunnen lezen en schrijven worden symbolen en symbolische voor stellingen gebruikt om de mensen te wijzen op de tegenstellingen tussen goed en kwaad, deugden en ondeugden. Dit wordt vaak zeer realistisch weergegeven.

Rieny van Beek

Het dier als symbool

In de eerste eeuwen van het christendom wordt de VIS als symbool voor Christus gebruikt. De symbooltaal is in deze tijd ook geheimtaal onder de christenen vanwege de geloofsvervolgingen. Aan deze eis voldoet de vis uitstekend, want de symbolische betekenis ligt niet voor de hand.
In die tijd was een van de hoofdtalen Grieks.
Het griekse woord voor vis is ichtus en bestaat uit vijf griekse letters: i—ch—th—u—s.
Deze letters vormen dé beginletters van de woorden:
Ièsous Christos Theou Uios Soter, dat wil zeggen: Jezus Christus Zoon van God Redder.
Via deze geloofsuitspraak is de vis een Christussymbool geworden.
Vissen worden soms ook afgebeeld met betrekking tot de doop. Hierachter ligt de gedachte, dat zoals de vis niet zonder water kan leven, zo kan de ware christen niet leven zonder het water van de doop. Zo is de vis een symbool voor Christus, maar soms ook een verwijzing naar de dopeling. Ook wordt in dit verband het beeld van Jona en de vis gebruikt. Als Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster heeft doorgebracht, wordt hij weer op het land gespuwd om alsnog de stad Ninevé op haar fouten te wijzen. Jona is het beeld van de dopeling, die na de doop ontvangen, zijn leven gaat wijden aan God.

Een tweede dier, dat tevens een Christussymbool is, is het LAM.
Dit dankt zijn verwijzende functie aan Johannes 1:29 “Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt”. In Jezus tijd werden dagelijks lammeren als zoen- en schuldoffer aan Jahwe opgedragen. Hieraan zal men toen direct gedacht hebben. De christen brengt het Lam Gods tevens in verband met het boek Openbaringen, waar het de zegels van de boekrol opent. De nadruk ligt bij dit beeld op het offerkarakter van Jezus’ dood.

Rieny van Beek

Een bekend dier in de christelijke symboliek is de DUIF.
Algemeen bekend is de duif als symbool voor de vrede. Zij is dan vaak voorzien van een olijftak als attribuut. Dit gegeven vinden we terug in het verhaal van Noach, die na de zondvloed een duif weg laat vliegen, die ‘s avonds terugkeert met een olijftak in haar snavel, ten teken dat er weer vrede is tussen God en de mens. Een neerdalende duif is het symbool voor de Heilige Geest. Het verband  tussen de duif en de Heilige Geest wordt in de bijbel gegeven. In Matth. 3:16 lezen we: “Terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen”. Tenslotte verwijzen zeven duiven (afgebeeld in een kring) naar de zeven gaven van de Heilige Geest: wijsheid, verstand, raad, sterkte, kennis, vreze des Heren en vroomheid. (Jes. 2:2 en 3). In de latijnse vertaling van de bijbel, de vulgaat, is de vroomheid toegevoegd. Deze voorstelling kan ook weergegeven worden als één neerdalende duif met zeven stralen.

Rieny van Beek

De PAUW is het beeld van de opstanding of onsterfelijkheid. Staat de pauw tussen tekens die op Christus wijzen, zoals kruis of christogram, dan betekent het de opstanding van Christus.

De HAAN kan als symbool verwijzen naar verschillende zaken. Om te beginnen kan de haan een symbool voor Christus zijn. Als de haan ‘s morgens vroeg met zijn gekraai aangeeft dat de nacht ten einde is en de nieuwe dag begint dan is zijn gekraai een teken van overwinning op de duisternis. Zo is ook Christus overwinnaar van de duivel en de duistere machten.
De weerhaan op de kerktoren, ons allen bekend, is een verwijzing naar degenen die “met open vizier strijden”, ter verdediging van de kerk en het christelijke geloof in een wereld, die doortrokken is van boze machten. Boze machten, die door de wind worden gesymboliseerd. In de katholieke kerk verwijst de haan naar de biecht en passie; dat vindt zijn oorsprong in de rol die de haan speelt in de nacht van de verloochening van Petrus.
Een laatste symbool van de haan is waakzaamheid. De haan is het dier dat iedereen wekt, dus moet hij zelf waakzaam zijn. Ieder mens moet als de haan waakzaam zijn met het oog op de wederkomst van Christus.

De UIL, het voor de wijsheid, wordt in de christelijke symboliek gebruikt als symbool voor de satan. Zoals de uil. een nachtdier is en de duisternis waardeert boven het licht, zo wordt ook de satan afgeschilderd als de macht der duisternis.

In het scheppingsverhaal komen we de SLANG tegen, die Eva verleidt tot het eten van de verboden vrucht en zo de oorzaak is van de zondeval. Hier is de slang een symbool voor de duivel.
In Numeri 21 staat het verhaal van de slangenplaag, waardoor de lsraëlieten geteisterd worden op hun woestijntocht. Om te voorkomen dat het hele volk sterft, moet Mozes een koperen slang op een stok plaatsen. Ieder die gebeten is zal in leven blijven wanneer hij naar de slang opkijkt. In dit geval. wordt de opgerichte koperen slang gezien als een heenwijzing naar de kruisdood van Christus.
Een bij ons algemeen voorkomend symbool van de slang is het esculaapteken, in gebruik bij artsen. De naam is afgeleid van de griekse God der geneeskunst: Asclepius, die vereerd werd in de gedaante van een slang. Zijn romeinse naam is Aesculapius, staf en slang zijn de symbolen.
Een laatste verschijningsvorm van de slang als symbool is de ouroboros, een grieks woord voor “staartvreter”. Het is een slang, die zichzelf in de staart bijt en op deze manier een cirkel vormt. Het is zo een symbool voor de eeuwigheid. Wanneer dit in combinatie afgebeeld wordt met een zandloper, zien we de tegenstelling eeuwigheid-vergankelijkheid.

Rieny van Beek

Om het HERT als symbool te kunnen gebruiken, worden er bovennatuurlijke eigenschappen aan toegeschreven. Dit staat in de Physiologus, een middeleeuws boekwerk, waarin eigenschappen van dieren en fabeldieren worden toegepast op Christus, de duivel en de kerk. Over het hert vertelt de physiologus, dat het de natuurlijke vijand is van de slang (het kwaad). Het hert vervolgt de slang en als hij hem heeft gevangen, snuift hij het gif eruit en vermorzelt de slang onder zijn hoeven. Dan zoekt het hert water om het slangengif te neutraliseren. Zo herleeft het hert door het water. Het hert is hier het symbool van het goede, maar ook een verwijzing naar de doop, namelijk vernieuwd leven door water.

Het hert komt ook voor in verband met Sint Hubertus. Volgens de legende achtervolgde Hubertus op Goede Vrijdag een reusachtig hert, dat zich tenslotte naar hem omkeerde met een schitterend kruis tussen het gewei. Een stem beval hem zich onder leiding van de Heilige Lambertus te stellen. Daarom is Hubertus (bisschop van Tongeren-Maastricht) schutspatroon van de jacht.

Dit artikel beoogt niet volledig te zijn. Aanvullingen zijn van harte welkom, zodat te zijner tijd een aanvullend artikel over dit onderwerp kan volgen.
Literatuur:
Christelijke symbooltaal van Klaas Dijkstra.
Symbols, Signs en Signets van Ernst Lehner.
Bijbels woordenboek van Frithiof Dahiby, vertaald door J.M.Vreugdenhil.

Dit artikel is eerder gepubliceerd  in Knip-Pers 1985-4

Nogmaals papier

Door Jeannet Pasterkamp-Boerkoel

Een leven zonder papier is haast niet denkbaar. (…) Papier wordt gebruikt voor kranten, om brieven te schrijven, boeken op te drukken, om tekeningen en aquarellen op te maken, als verpakkingsmateriaal en voor nog veel meer.’ Zo begon het artikel ‘Papiermolens in Nederland’ in de Knip-Pers 2005-3. Wij vinden papier maar heel gewoon. Toegegeven, knippers zijn zuinig op papier. Kleine stukjes zwart papier worden bewaard, je kunt er altijd nog wel eens iets van knippen. Cadeaupapier wordt zorgvuldig gladgestreken en opgeruimd, ook dat kun je gebruiken om uit te knippen of als achtergrond voor knipwerk. Of gewoon, er een ander cadeautje weer in verpakken. Maar verder Het meeste papier verdwijnt in de papiercontainers zodat er weer nieuw papier van gemaakt kan worden. Toch slingert er nog veel papier op straat.

Dat was vroeger wel anders. Papier was een belangrijk en nuttig materiaal dat zeer gewaardeerd werd. Vodden en oude kleren die op straat lagen werden verzameld, om nieuw papier van te maken en ook toen al werd oud papier opnieuw gebruikt.

genopt = naar kwaliteit gesorteerd; boeken: het papier werd meestal in platte vellen afgeleverd, maar soms werd het dubbel gevouwen tot een boek van 24 vellen; een riem bestaat uit 20 boeken. NB: f zonder dwarsstreepje = s

In het Vaderlandsch A-B Boek werd aan kinderen. uitgelegd, hoe papier gemaakt werd. Heel opmerkelijk is het watermerk van de papiermolen Woocky Hole in Somerset, dat een andere kant laat zien van de kringloop van het papier en ook van de maatschappij.

Uit de lofzang op de papierfabricage ter gelegenheid van één of ander feest in de Zaanstreek blijkt wel, hoe belangrijk de papiermolens waren voor de economie. Maar het was hard werken in een papiermolen. De werktijden waren lang, in de winter van 6 uur ‘s morgens tot zes uur ‘s avonds in de zomer werkte men zelfs door tot 8 uur. Soms moest men ook nog een heel eind lopen naar de molen. En alleen op zondag was men vrij. Het vaste personeel, zoals de molenaar en de papiermakers verdienden  8 gulden per week, sorteerders, inpakkers en anderen slechts 3 gulden.

Van oude gedichten, liederen en prenten volgt hier een kleine bloemlezing. (Zaanse) Liedjes op de papiermakerij.
Bron: Zaans Museum, Zaandam

Illustraties:
1. Lompenprikker. Naar een 19eeuwse kinderprent.
2. Papier, afbeelding uit het Vaderlandsch A-B boek, met bij behorende tekst.
3. Watermerk van de papiermolen Woocky Hole in Somerset
4. Papierschepper, koetser en heffer. Afbeelding naar een vroege houtsnede.

Geraadpleegde literatuur:
1. Kees van Bodegraven: Zelf papier maken. De Bilt, 1979.
2. C. Th. Kokke: De Veluwse papiermolen. Arnhem, 1977.
3. Vaderlandsch A-B boek voor de Nederlandsche Jeugd. Fascimile uitgave van het oorspronkelijk boek, uitgegeven in 1781 door W Holtrop in Amsterdam.
4. De Schoolmeester. Informatieve folder van de Papiermolen in Westzaan.

Dit artikel verscheen uitgebreider in Knip-Pers 2006-3

Papiermolens in Nederland

Door Jeannet Pasterkamp-Boerkoel

Een leven zonder papier is haast niet denkbaar. Papier is omstreeks het begin van onze jaartelling in China uitgevonden. Dit staat op naam van Ts’ai Lun. Papier wordt gebruikt voor kranten, om brieven te schrijven, boeken op te drukken, om tekeningen en aquarellen op te maken, voor verpakkingsmateriaal en nog veel meer. In Nederland wordt vanaf ± 1590 papier gemaakt. De grondstof voor de papierfabricage in Nederland was lompen. Oorspronkelijk werden die met houten stampers in vijzels fijngestampt. In Europa waren al water- en windmolens en het was logisch dat die gebruikt werden om papier te maken. De watermolens op de Veluwe waren zeer geschikt voor dit doel. Het verval van de beekjes op de Veluwe was helaas te weinig om de grote raderen van de watermolens aan te drijven. Daarom op een heel ingenieuze manier zogenaamde sprengen gegraven, diepe gleuven in het landschap, waardoor het grondwater opborrelde en zo het beekwater versterkte. Daarbij kwam nog dat het heldere, zuivere water zeer geschikt was voor de papierfabricage. Hierdoor is vanaf 1590 een bloeiende papierindustrie op de Veluwe ontstaan, met als centrum Apeldoorn. Ook langs de Veluwezoom waar het land afdaalde naar de IJssel en de Rijn, ontstonden veel papiermolens. Niet lang daarna kwam de productie met windmolens op gang, bijvoorbeeld in de Zaanstreek, waar ook een bloeiende papierindustrie ontstond. Hier werd onder andere hoogwaardig papier gemaakt voor bankbiljetten.

Papiermolen
In het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem staat een papiermolen. Hij kwam oorspronkelijk uit Loenen op de Veluwe, er werd pakpapier gemaakt. Nu schept men er mooi, wit papier. Er is goed te zien hoe het papiermaken op de Veluwe omstreeks 1850 in zijn werk ging. Het is een watermolen met een groot waterrad, die een nokkenas aandrijft om de verschillende machines te laten draaien. De nokken tillen grote, houten valhamers op, die de linnen lompen fijnstampen tot een dunne papierbrij.

Witte linnen lompen werden gebruikt voor schrijf- en drukpapier. Gekleurde lompen, vaak katoen, werden blauw geverfd. Zij waren de grondstof voor pakpapier. Vrouwen en kinderen van 12-14 jaar verwijderden de knopen, baleinen en dergelijke en scheurden de lompen daarna aan stukken. Buiten werden de lompen gekookt in water met een beetje zoutzuur, waardoor het vuil opgelost werd en de vezels al vast een beetje kapot gingen. Daarna werden met kapmessen de lompen aan snippers gehakt. De grote, zware hamers in de hamerbak, die door het grote waterrad aangedreven werden, bewerkten de snippers 24 uur lang, zodat de linnen vezels vrij kwamen. De substantie die zo ontstond heet halfstof. De laatste bewerking van de lompen vond plaats in de zogenaamde hollander. (Inderdaad, uitgevonden door een Hollander, uit de Zaanstreek.) Dit is een grote kuip, waarin een rol met messen ronddraait die de vezels zo fijn vermalen, dat ze zich met water vermengen. Het lijkt dan net één grijze, vlokkige vloeistof. Dit is de heelstof, klaar om het papier te scheppen.

Watermerk en scheppen
Dit scheppen gebeurde met een soort platte zeef waarop een losse rand lag, het deksel. Vroeger werd die zeef gemaakt van heel dun, fijn koperdraad dat aan elkaar genaaid was. Soms was er met koperdraad een mooi motief op genaaid, vaak het kenmerk van de molen die het papier gemaakt heeft, of van een opdrachtgever. Zo ontstond een watermerk in het papier. Het is te zien, als men het papier tegen het licht houdt. Aan het watermerk kon je niet alleen zien waar het papier vandaan kwam, maar het diende tevens als kwaliteitsmerk.
Met een vloeiende beweging haalde de papierschepper de zeef door de heelstof. Eerst liet hij de zeef verticaal naar beneden zakken, kantelde hem een kwart slag en tilde hem tenslotte horizontaal weer boven water. Dan schudde hij hem voorzichtig heen en weer, zodat de vezels in elkaar grepen en er al vast wat overtollig water weg liep. Daarna gaf de papierschepper de zeef over aan de koetser, die de rand van het deksel haalde en het nieuwe, natte, slappe ‘vel’ papier op een wollen lap vilt legde. Deze handelingen werden vele keren herhaald, een wollen lap, een vel papier, een wollen lap, een vel papier, een wollen lap… Schepper en koetser waren goed op elkaar ingespeeld en werkten in een bepaalde regelmaat samen. Ze gingen door tot er een stapel van 125 vellen. papier klaar was. Nog één wollen lap er op en men had een aantal vellen dat een post heette. In deze papiermolen kon men 14 posten per dag maken, dus 1750 vellen papier. Een hoeveelheid van 50 à 60 kg.

Persen
Hierna moest het water er uit geperst worden. De stapel papier werd onder een grote pers gelegd die aangedraaid moest worden. Dit vergde heel veel kracht. Alle werknemers werden daarbij ‘opgetrommeld’: één van hen blies op een koeienhoorn ten teken, dat iedereen, binnen en buiten de molen, moest komen helpen. Op deze manier werd de helft van het water er al uit geperst. Daarna nam de heffer het werk over. Hij verwijderde de lappen vilt en legde (hief) de nog vochtige vellen papier op een speciaal houten tafeltje. Hier moest men zeer geoefend in zijn, omdat het papier op dat moment nog erg teer was. Daarna werd het papier weer onder een pers gelegd zodat het meeste water er uitliep. Vervolgens moest het papier nog drogen. Op de droogzolder was het altijd tochtig, de wind kon vrij door de openingen tussen de planken blazen. De vellen papier werden over drooglijnen gespannen. In één à anderhalve dag, soms nog iets langer, was het papier droog, afhankelijk van het weer. Tenslotte werd het papier nog een keer onder de pers gelegd voor een mooi, glad resultaat.

Gelatine
Als het papier gebruikt moest worden om op te schrijven, moest het nog één behandeling ondergaan, zodat er een soort coating overheen kwam: Het enige dat na de slacht van koeien en paarden overbleef dat weinig of niet gebruikt werd, waren beenderen, hoorns en hoeven. Die wilde de papiermaker graag hebben. Hij kookte ze op, zodat de gelatine er uit kwam. Daar werd nog aluin aan toe gevoegd, waardoor er een soort lijm ontstond, waar de vellen papier in gedoopt werden. Zo kreeg men goed schrijf- en drukpapier.

Papier dat van lompen gemaakt is verkleurt niet, het wordt niet gelig. Dit is goed te zien aan oude kanselbijbels die in de kerken altijd open op de preekstoel liggen.

Het werk in de papiermolen was erg ongezond. Het kapotscheuren van de lompen was een vies en stoffig karwei, letterlijk een ‘luizenbaan’. De papierscheppers, die voortdurend met hun handen in de vezelpap werkten, waren aan hun handen te herkennen: ze hadden geen nagels meer, die waren door het restant van het zoutzuur opgelost. Ook waren de arbeiders vaak kortademig door al de dampen die in de molen rondzweefden en werden ze doof door het lawaai dat de molen maakte. Vandaar het luide getoeter op de koeienhoorn!

Tot ongeveer 1800 werden de zeven gemaakt van aan elkaar genaaid koperdraad, heel dicht op elkaar. Toen vond men uit om van dun koperdraad heel fijn gaas te wéven. Eerst gebruikte men dit gaas om nieuwe zeven te maken, men schepte het papier nog steeds met de hand. Maar er werd door deze nieuwe techniek ook een soort lopende band van kopergaas ontwikkeld, een nieuwe machine, waardoor men lange rollen papier kon maken. Dit is het begin geweest van een onstuimige ontwikkeling in de papierindustrie. De grondstof is sinds 1850 ook veranderd, die grote hoeveelheden papier van nu worden gemaakt van cellulose van bomen. Wanneer Ts’ai Lun die gigantische rollen papier zou zien in bijvoorbeeld de krantendrukkerijen, kan hij zich met recht een wereldburger noemen die een uitvinding heeft gedaan die de wereld veranderd heeft.

Er zijn nog drie molens in Nederland waar papier geschept wordt. Allereerst de bovengenoemde watermolen ‘Marten Orges’ in het Nederlands Openlucht Museum in Arnhem. Hier worden mooie blanco vellen ongelijmd, of vloeipapier met het watermerk van de molen gemaakt, die er ook verkocht worden. De molen is onderdeel van het museum, men heeft hier alle tijd om uit te leggen hoe alles werkt.

‘De Middelste Molen’ in Loenen is een watermolen waar men niet alleen kan zien hoe papier geschept wordt, maar er is ook te zien hoe op kleine schaal machinaal papier gemaakt wordt, met gebruik van een stoommachine uit 1895. Er wordt onder andere schitterend aquarelpapier gemaakt. Vrijwilligers vertellen over de geschiedenis van de molen, ze leggen uit hoe alle machines werken en vertellen over de verschillende soorten papier. De papiermolen ligt aan het Apeldoorn-Dierens Kanaal.

‘De Schoolmeester’ in West Zaan is de enige nog werkende windmolen ter wereld die papier maakt. Er wordt een dik soort papier gemaakt dat uit minstens drie lagen bestaat, het zogenaamde Zaansch Bord. Vroeger gebruikte men het vooral als verpakkingsmateriaal, maar tegenwoordig wordt het gebruikt voor verschillende kunstzinnige doeleinden zoals posters, zeefdrukken en als aquarelpapier. Bezoekers van het museum krijgen een informatieve folder met een beschrijving en tekeningen van, al de machines en apparaten die achtereenvolgens nodig zijn om papier te maken en zo kan men alles zelf bekijken. Wie daarna nog vragen heeft, kan ze aan de molenaar stellen, die ze graag wil beantwoorden. In de droogschuur is een interessante expositie ingericht over van alles wat met papier te maken heeft.

Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 2006-1

www.openluchtmuseum.nl
www.demiddelstemolen.nI
www.zaanschemolen.nI

Geraadpleegde literatuur:
C. Th. Kokke: De Veluwse papiermolen, Arnhem, 1977.
Henk Raaif: Papier maken. Amsterdam, 1980.
Faith Shandon: Veelzijdig papier maken,verwerken, decoreren. Houten, 1988.
Gids voor het Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem, 1980.

Illustraties:

  1. Hoge toren met papierarbeiders die scheppen, persen en drogen.
  2. Papiermaker: Al is het slecht, het komt te recht.
  3. J.H. Swildens, Vaderlandsch A-B Boek voor de Nederlandsche Jeugd
  4. Moderne tekening van scheppen, koetsen en persen. Uit een folder van Papierfabriek Van Houtum en Palm in Ugchelen.
  5. Tekening van de papiermachine van Henri Fourdrinier in 1806.
  6. Watermerk van de papiermolen ‘Marten Orges’ in Arnhem.

Vrijen en trouwen in grootmoeders tijd

Door Rieny van Beek

Vroeger kende men vrijersmarkten, meestal waren dit jaarmarkten, die éénmaal per jaar gehouden werden. Op zo’n jaarmarkt flaneerden de meisjes rond in hun mooiste kleren en de jongens probeerden de aandacht te trekken en in de gunst te komen. Een jongen koos op zo’n markt een meisje uit om mee naar de kermis te gaan en om mee te vrijen, daarom werden deze markten vrijersmarkten of meidenmarkten genoemd.
Wanneer de vrijerij tussen de jongen en het meisje serieus werd, dan moest de jongen kennismaken bij de ouders van het meisje en hun goedkeuring vragen. Eerst liep de vrijer een paar maal voor het huis heen en weer, tot het meisje hem een teken gaf, bijvoorbeeld door een bezem uit het raam te steken, dan mocht hij binnenkomen. Nu moest hij kennismaken net de ouders en hun goedkeuring krijgen. Dat kon op verschillende manieren gebeuren: Er werd hem een ’tas’ koffie aangeboden of men gaf hem een ‘struif’ (pannenkoek). Ook het stoppen van een pijp samen met de vader van het meisje duidde er op dat de jongen aanvaard was en terug mocht komen.

Wanneer een jongen verlegen was en een meisje zijn liefde niet durfde te verklaren, kon hij “de vrijer aan de klink hangen”, dit was een bosje bloemen of meitak, die hij ‘s avonds aan de klink van de deur van het meisje bond. Kwam het meisje naar buiten om de bloemen of meitak te halen, dan werd zijn liefde beantwoord. Liet het meisje de bloemen hangen dan kon de jongeman alle hoop laten vaten. Niet altijd bond een vrijer een meitak aan de klink van de deur, soms plantte hij de tak in de grond, versierd met gekleurde papiertjes. Een meitak kon een tak zijn van elke willekeurige boom, maar ieder heeft zijn eigen betekenis. Een dennentak betekent gestadige liefde, een fijne sparrentak is goedheid, een berkentak is goed en schoon, een kersentak duidt een veranderlijk meisje aan, een hagendoorn is stekelig, katjes betekenen niet zonder handschoenen aan te pakken, een biesbosje houdt het met elke vrijer. Het meisje wist dus wel hoe de vrijer over haar dacht.
In sommige delen van het land was het de gewoonte om deze meitak op de eerste mei te planten voor het buis van zijn geliefde. Het meisje stond dan ‘s morgens vroeg op om te zien wat haar “mei” was. Een goede tak liet ze natuurlijk zo lang mogelijk staan.

Ook de bezem had bij het vrijen en trouwen een symbolische betekenis. De bezem diende als seinvlag, het meisje stak dan de bezem uit het raam, om de vrijer te waarschuwen dat vader en moeder uit waren en de kust veilig om binnen te komen. Als een meisje een vrijer afwees, liet ze dit merken door met de bezem de vloer te vegen rond de stoel waar de jongen zat. Als het bruidspaar met een wagen beladen vol huisraad naar hun nieuwe woning trok, dan werd een bezem op de top van het meubilair gestoken. Ook was het in sommige plaatsen de gewoonte dat de bruidegom bij het binnengaan van zijn nieuwe woning over een bezem sprong, die op de drempel was gelegd. Men zette ook wel een bezem tegen de muur van het huis met de steel omlaag. Dit zijn overblijfselen van een oud heidens geloof, dat de bezem kracht bezat om boze geesten te weren.

Voordat er getrouwd werd, ging het bruidspaar eerst in ondertrouw; dit gebeurde op het stadhuis of de gemeentesecretarie. De bruid werd door haar moeder, en de bruidegom door zijn vader begeleid. In Brabant was het de gewoonte dat de jongen bij thuiskomst de hele buurt uitnodigde en bier schonk. Dit noemde men “kwanselbier”: het gezellig samenkomen van jongens en meisjes om te kwanselen (dit is praten, drinken en vrolijk zijn). Na het aantekenen kwam het aanstaande bruidspaar “onder de roepen”. Dit betekende dat het huwelijk vanaf de preekstoel driemaal werd afgekondigd of afgeroepen. In Brabant noemde men dit ook wel “van de preekstoel vallen”. Na de eerste afkondiging werd er weer feest gevierd en ditmaal stond de bruid in het middelpunt van de belangstelling. Men dronk dan “heilbier” (heil is gelukwens). Hierna moest het huwelijk worden bekend gemaakt bij familie en vrienden, dit noemt men “het huwelijk aanzeggen”. Meestal werd dit gedaan door de buren, door de broers van de bruidegom of door het bruidspaar zelf. In sommige dorpen was een “bruiloftsnodiger”, die speciaal belast was met het aanzeggen van een huwelijk. Hij trok door het dorp, soms met een versierde hoed op het hoofd, en nodigde de mensen uit met een gedicht. Overal waar hij kwam kreeg hij een stuiver, dat op de bodem van een glaasje brandewijn lag. Eerst moest hij de brandewijn opdrinken om de stuiver te kunnen pakken. Daarom verdeelde hij zijn aanzeggingen over een paar dagen.

In de vier ovalen: 1. De bruid met versierde kop en schotel en de bruidegom met een gestrikte pijp onder de bruidskroon. 2. De vader van de bruid biedt de bruidegom een glaasje jenever aan. 3.Het bruidspaar onder de ereboog. 4. Het bruidspaar plant een levensboon in de hof.

Voor het huwelijk moesten er getuigen gezocht worden, meestal waren dit familieleden van het bruidspaar. Er waren ook mensen, die tegen een vergoeding als getuige wilden optreden. In sommige dorpen was het de vaste gewoonte dat de pastoorsmeid en de koster als getuige optraden.

Vroeger droeg alleen de vrouw een trouwring, deze werd tijdens de huwelijksmis door de pastoor gewijd. De ring was een teken van trouw en werd als onderpand door de man aan de vrouw gegeven. Na 1930 werd het gewoonte dat beiden een ring droegen en vond ook de ringwisseling plaats tijdens de huwelijksplechtigheid.

De dag voor het huwelijk versierden de buren het huis waar de bruiloft werd gevierd, meestal het ouder lijk huis van de bruid. Er werd een ereboog neergezet, versierd met papieren roosjes.

In de omgeving van Arnhem was het de gewoonte dat de aanstaande bruidegom op zijn vrijgezellenavond van zijn vrienden een Goudse pijp kreeg aangeboden. Wanneer deze leeg gerookt was, moest hij hem doormidden breken. Dit was een symbolische afsluiting van zijn vrijgezellentijd.

Het wettelijk huwelijk vond plaats op het gemeentehuis, maar daaraan werd niet zoveel betekenis gehecht in Brabant en Limburg. Het vond plaats zonder feestelijk vertoon, soms in de alledaagse kleren. Het kerkelijk huwelijk in rooms-katholieke kringen was veel belangrijker. Pas wanneer de priester het huwelijk had ingezegend begonnen de feestelijkheden.
Terwijl de feeststoet van de kerk weer naar huis ging, was de vader van de bruid vooruit gegaan om thuis een glaasje met jenever te vullen. Als de vader van de bruid de bruidegom zag aankomen, ging hij hem tegemoet, gaf hem de hand, dronk het glaasje half leeg en gaf de rest aan zijn schoonzoon.
De bruid en bruidegom liepen door tot onder de ereboog, daar kwamen een jongen en een meisje naar hen toe die een feestvers opzegden en het bruidspaar een bruidskoek overhandigden. Een bruidskoek is een langwerpige koek, mooi versierd en met allerlei vruchten erin. Soms strooide de bruid met bruidssuikers, dit is afkomstig van een oud Germaans offer om tijdens de bruiloft de goden gunstig te stemmen. De bruidssuikers waren soms zoet en soms bitter, zoals pepernoten en bitterkoekjes. Zij symboliseren de karaktereigenschappen van het huwelijk: zoete kanten maar ook bittere. Tijdens de koffietafel kwam de ‘bruiloftsman’ een feestvers opzeggen. In de loop van de middag werd in de hof een levensboom geplant. Laat in de middag kwam het middagmaal, dat beëindigd werd met rijstepap met suiker.

Wanneer het jonge paar de volgende dag naar hun eigen woning trok, was deze helemaal schoongemaakt door de buurvrouwen. De bruid werd door de bruidegom over de drempel gedragen. Het dragen over de drempel was om de geesten niet te storen, omdat in de oudheid de doden voor de drempel werden begraven.

De buurvrouwen moesten natuurlijk getrakteerd worden op koffie met suiker. Daarvoor brachten zij hun eigen kommetje mee. Dit feest werd het “wijvenfeest” genoemd. Na afloop werden de kommetjes tegen elkaar stuk geslagen, scherven brengen geluk. Dit was een uitgesproken vrouwenfeest, geen man kwam er aan te pas. Kwam hij toch, dan werd hem de broek uitgetrokken en er op los geslagen.

De eerste zes weken na het huwelijk werd er wittebrood gegeten, dit moet gezien worden als een overblijfsel van een vroegere offervorm. Daarom heten de eerste zes weken na het huwelijk ook wittebroodsweken.

Symboliek in het zwanenknipsel:
Twee zwanen en een hart betekenen huwelijkstrouw en liefde, klavertjes vier geven geluk. Vanuit het hart ontspringt een levensboom met in de top een tulp, symbool voor volmaakte liefde.
De roos is een symbool voor de liefde, de viooltjes betekenen trouw, de campanulaklokjes spreken van dankbaarheid, de klimop is een symbool voor trouw, de lelietjes van dalen betekenen geluk.

Gelezen: Ben Janssen, De bezem en de meitak.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Knip-Pers 1991-2, de knipsels zijn van Rieny van Beek

De bruidegomspijp en andere huwelijkssymbolen

Door Rieny van Beek.

1. Bruideqomspijp in kastje

De pijp speelde vroeger bij de verkering een belangrijke rol. In Groningen was het de gewoonte dat een jongen, die bij zijn meisje thuis kwam, een pijp kreeg aangeboden, waaruit hij de hele avond rookte. Hierop schreef hij zijn naam. Kreeg hij bij een volgend bezoek dezelfde pijp, dan werd hij als vrijer aanvaard door het meisje. In Drenthe kreeg de vrijer ook een lange pijp aangeboden. Tot driemaal toe vroeg hij een kooltje vuur voor zijn pijp. Wanneer hij dit kreeg dan aanvaardde het meisje hem als vrijer. Bij weigering moest de arme jongen de aftocht blazen. In Friesland wist een jongen dat hij geaccepteerd werd door het meisje, als zij hem met een vriendelijk gezicht een stoel en een pijp aanbood. Op Ameland was het de gewoonte dat de jongeman, die uit vrijen wilde gaan, op zondagavond naar het huis van zijn uitverkorene ging en daar aanklopte. Hij vroeg dan of hij zijn pijp mocht aansteken, Het meisje kwam dan met een vuurtestje. Gaf ze het de jongen In de hand dan kon hij, na zijn pijp aangestoken te hebben, weer naar huis gaan. Hield ze de test vast, dan was de jongen welkom en kon hij binnenkomen.

De bruidegomspijp was een symbolisch huwelijksgeschenk sinds 1776 tot het begin van deze eeuw, bij de boerenstand. De pijp was een vruchtbaarheidssymbool en de versieringen symboliseren huwelijkstrouw en liefde. De versiering bestond uit bloemen, linten en strikjes en soms ook glazen balletjes in de vorm van druiven, dit is een vruchtbaarheidssymbool.

Op de huwelijksdag werd de versierde pijp aangeboden aan de bruidegom door de dienstbode, de buurvrouw of de zuster van de bruid. De bruidegom mocht de pijp alleen op de huwelijksdag gebruiken. Daarna kreeg de pijp een ereplaats in huis in een kastje, gemaakt door de bruidegom of zijn familie. 0p Terschelling werd het kastje door de aanstaande bruidegom gemaakt tijdens de wintermaanden, uit aangespoeld wrakhout. In de de winter gingen de vissers in verband met het vaak slechte weer niet varen en hadden tijd voor dit handwerk. De pijp werd na de huwelijksdag alleen nog gerookt op het koperen, zilveren en gouden huwelijksfeest.

2. Huwelijkstrouw (niet geloof, hoop en liefde); 3. huwelijkstrouw met liefde (hart) en geluk (klavertje vier); 4. ouderliefde

In Overijssel was het de gewoonte dat er bij de geboorte van een kind een rode strik om de pijp gedaan werd. In Gelderland gold de regel: “Breekt de pijp, dan wordt de vrouw het hoofd van het gezin”. In andere streken van ons land geloofde men dat het huwelijk kapot zou gaan als de pijp zou breken. In Groningen kreeg de bruid op de huwelijksdag twee versierde kopjes aangeboden, waar het bruidspaar uit moest drinken. In Gelderland werden deze bruidskopjes na de huwelijksdag samen met de bruidegomspijp in het kastje geplaatst. In de Achterhoek noemde men het kastje de trouwkaste.
Op Terschelling werden bij de pijp ook de borrelglaasjes van bruid en bruidegom in het kastje gezet. In Utrecht werd de pijp door de bruid gestopt en aangestoken. Hierna gaf zij hem aan de bruidegom, die er de hele dag uit bleef roken. Dit wijst op onderdanigheid van de vrouw. Tijdens de wittebroodsweken rookte de man elke zondag uit de pijp, daarna werd hij in een kastje geplaatst in de mooie kamer. En West Friesland en de Zaanstreek kwamen dezelfde pijpen en kastjes voor als in Friesland. Hier zag je mooie reliëfpijpen met symbolische afbeeldingen versierd. Enkele voorkomende symbolen: Twee ineengeslagen handen betekenen eendracht, vriendschap en trouw. Twee vogels stellen de ware liefde voor, een vlammend hart is een symbool voor de liefde, evenals rozen en een hart.
Granaatappels zijn een teken van vruchtbaarheid, een duif betekent zachtzinnigheid en liefde. Twee harten is het symbool van twee levens, die aan elkaar worden verbonden. Op bruidsgeschenken was vaak het hart te zien, vergezeld door twee liefdevogeltjes, die het verlangen van beide aanstaande echtgenoten om naar elkaar toe te vliegen tot uitdrukking brachten. In Friesland was het de gewoonte om bij de geboorte een geboortelepel te geven, die tijdens de bruidsdagen en op de trouwdag gebruikt mocht worden. Iedereen die in de bruidstijd in het ouderlijk huis van de bruid kwam, moest op de gezondheid van het jonge paar drie lepels brandewijn met rozijnen,de bekende boerenjongens, uit de brandewijnkom nemen. De gasten gebruikten hiervoor de geboortelepel van de bruid.

Twee vogels in hart stellen een verliefd, verloofd of pas getrouwd paar voor. De tulp is het symbool voor volmaakte liefde, de viooltjes betekenen trouw, de lelietjes van dalen zijn geluk

In de vorige eeuw zat het bruidspaar tijdens de bruiloft onder een met groen versierde kroon, met in het midden vaak twee in elkaar geslagen handen of twee doorboorde harten. Dit waren de symbolen voor liefde, trouw en levenskracht. In Noord Holland vergezelde de bruidskroon het bruidspaar op hun trouwdag. Na het feest werden zij onder een baldakijn met de bruidskroon naar huis gebracht. De krans was een huwelijkssymbool wanneer man en vrouw samen de krans vasthielden. Kroon en krans waren een symbool van de onschuld van zowel de hemelse als de aardse bruid. Een krans met een gekroond hart, doorstoken met twee pijlen en vastgehouden door man en vrouw stelt de betekenis van het huwelijk voor. De kroon boven het hart symboliseert trouw, het bekroonde hart, doorboord met twee pijlen is de liefde. De man heeft een duif op zijn hand, symbool voor echtelijke trouw. De vrouw heeft een palmtak in de hand, symbool voor het leven.

Gelezen: H.P. Tupan, De Bruidegomspijp.

Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 1991-3

Ontwikkeling knipkunst in Mexico

Door Wellina Lueb-Coon

Voorjaar 1986 deed zich voor de knippers in Nederland een unieke gelegenheid voor. De tijdelijk in ons land verblijvende Mexicaanse knipkunstenares Olga Ponce Furginson liet iets zien van hoe de knipkunst zich in Mexico ontwikkeld heeft.

Zij demonstreerde voor knipkringen en op de Contactdag in Apeldoorn de methode van veel (ca. 40) lagen zijde-vloeipapier op elkaar geniet, waaruit volgens een daarop gelegd patroon door middel van beitel-en-hamer(!) en messen het motief werd gesneden. Deze knipsels, “papel picado” genoemd, zijn veel groter en grover dan het europese knipwerk. Maar door de felle kleuren zijn ze erg aantrekkelijk. Voor de mensen die haar al ontmoet hebben en ook voor degenen, die haar de komende jaren nog zullen ontmoeten, is het misschien leuk wat achtergrond in formatie door te geven. Olga is getrouwd, heeft vijf grote kinderen en is ook oma geworden. Zij volgde een opleiding aan een kunstacademie, maar sinds vijf jaar houdt zij zich bezig met de papierknipkunst. Haar interesse ontstond vele jaren geleden toen zij les gaf over de Mexicaanse cultuur in noordelijk Mexico. Sommigen van haar studenten droegen voorbeelden en ontwerpen aan. Naar toen ze nog meer exemplaren zocht vond zó weinig kunstenaars, die dat nog deden. Dus begon zij zichzelf de kunst te leren!

41 x 19,5 cm

Zij bewerkt oude, traditionele Mexicaanse motieven en ontwerpt nieuwe ideeën in dezelfde stijl. Geboren in Mexico, maar nu wonende in Californië, houdt ze vele workshops (lessen) voor mensen in het onderwijs, om ze de kunst van het Mexicaanse knippen te leren. Het heeft veel toepassingsmogelijkheden voor de klaslokalen. Zij geeft ook graag workshops voor kinderen.

Omdat er weinig mensen zijn die deze kunst nog beoefenen, is zij intensief bezig hierop meer aandacht te vestigen. In de Mexicaanse cultuur zijn er veel feestdagen waarop deze kunst van bijzondere toepassing kan zijn. Dit geldt ook voor de feesten van het groot aantal Mexicaanse inwoners in Zuid-Californië.

ca. 29,5 cm

“El dia de los ninos” (dag van de kinderen), 29 april, is de eerste van het kalenderjaar. Een van de meest gevierde feesten is ‘ de Mayo” (5 mei), waarop de Slag van Puebla herdacht wordt. Onafhankelijkheidsdag “Dia de la Independencia op 16 september, Dia de los Murtos, dag van de doden op 1 en 2 november,”Dia de la Guadalupen”(feest ter ere van de beschermheilige van Mexico) in december) zijn de andere feestdagen.

20 x 15 cm

Een typische uiting van het papiersnijden, de papel picado, is een banier die vaak met meerdere op een rij, dubbelgeslagen over een touw, opgehangen wordt. Vaak worden deze versieringen buiten opgehangen boven de straten of van de kerk naar de dichtstbijstaande bomen. Ook langs terrasjes of als vlaggen aan stokken, die in vier windrichtingen aan een boom bevestigd zijn.

44 x 37 cm

Het zonnige klimaat werkt wel mee en vergroot het bijzonder fleurige effect. Maar natuurlijk worden de banieren ook als binnenversiering gebruikt, in lange banen, soms gekruist onder het plafond, langs bars in café’s of achterin de marktkramen. Verjaardagen, trouwerijen en doopdiensten geven nog meer gelegenheid om deze papel picado’s te gebruiken.

12 x 9 cm

Olga kreeg opdracht om restaurants te versieren en een keer zelfs werd ze gevraagd om de sfeer van een politieke bijeenkomst op te vrolijken met haar prachtige banieren.

11 x 8 cm

Alle bij dit artikel afgebeelde knipsels zijn gemaakt door Olga Ponce Furginson.

Toen Olga en Wellina samen op bezoek kwamen viel me tussen alle vriendelijke, vredelievende en versierende knipsels dit potsierlijk uitgedoste geraamte op. Een lachende, graag vertellende Olga hield ongeveer dit spiegeltje voor:

Drijf niet de spot
en mijd de hoogmoed
trots mooi je bent
wacht ieder niet ’t gelijke lot?

18 x 12 cm

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Knip-Pers 1987-1